Recensie

‘Hij Jan Cremer’ was ook een Casanova

Jan Cremer

Allesbepalend was de uithuiszetting die de vijfjarige Jan meemaakte in 1945. Zijn Odyssee is een bij vlagen ontroerende Vatersuche van een man van 76.

Foto uit persoonlijk archief van Jan Cremer

Jan Cremer (1940) maakte veel mee in zijn eerste levensjaren. Hij was amper geboren of de oorlog brak uit. Toen hij twee was overleed zijn vader en bleven zijn Hongaarse moeder en hij berooid achter. En hij was nog net geen vijf toen de bevrijding werd gevierd. In Enschede, zijn geboortestad, was dat op 2 april. Voor de kleine Jan en zijn moeder duurde het bevrijdingsfeest maar kort. De volgende dag werden zij, tot hun verbijstering, op verdenking van ‘Deutschfreundlichkeit’, uit hun huis in de Emmastraat gesleurd en met geweld, samen met NSB’ers en collaborateurs, opgesloten in Kamp Scholten, ‘in een kooi met alleen stro op de vloer.’

Deze traumatische gebeurtenis heeft Cremer herhaaldelijk beschreven, net als de terugkeer, 21 dagen later, uit het kamp, nadat kennelijk was vastgesteld dat moeder en zoon niets strafbaars hadden gedaan. Het huis in de Emmastraat bleek geplunderd, de buren liepen in hun kleren rond en nog weer later raakten ze ook nog hun onttakelde huis kwijt.

Ook in Odyssee, het eerste deel van een nieuwe autobiografische cyclus, met als ondertitel Fernweh, komt Kamp Scholten een paar keer ter sprake, zoals ook andere smartelijke jeugd-episoden, in weeshuizen, internaten en pleeggezinnen voorbijkomen. Maar de nadruk ligt hier vooral op de voorgeschiedenis, op de jaren die voorafgingen aan de oorlog en aan zijn conceptie.

Zwarte weduwe

Cremer doet hier een boekje open over zijn ouders. Over zijn vader, Jan Cremer senior (1877-1942) die hij alleen kent van horen zeggen. En over zijn moeder Rózsa (1917-2001) die op haar 22ste na lang aandringen met de veel oudere Cremer trouwde en al gauw besefte dat ze daarmee de grootste vergissing van haar leven beging. Het mooie Boedapest en een aristocratisch milieu ruilde zij in voor het miezerige Enschede, waar ze zich nooit thuis zou voelen, en al gauw als ‘zwarte weduwe’ door het leven zou gaan.

Rózsa wordt hier vooral getypeerd als degene die vader Cremer, uit wraak, doodzweeg en onzichtbaar maakte, door zijn foto’s, ansichtkaarten en zelfs het complete manuscript van een roman te verdonkeremanen. Junior moest dus zelf op zoek, in archieven en registers. Ook voerde hij veel gesprekken met oude bekenden. Zo rijst er in de terugblik toch nog een vrij uitgebreid portret op van een vader die ook meteen de hoofdpersoon wordt, ‘de held van dit verhaal.’

‘Hij Jan Cremer’ zou wel een goede titel zijn geweest voor dit boek waarin Senior een waardige vader van zijn zoon blijkt te zijn. De indruk wordt gewekt dat deze ‘immer goed geklede’ elektrotechnicus en waterbouwkundige met zijn rijzige gestalte zelfs minstens zo avontuurlijk, reislustig en aantrekkelijk was voor vrouwen als zijn zoon. Geen wonder dat hij, als we zijn zoon mogen geloven, ‘een verwoestend spoor van gebroken harten’ trok door heel Europa. Ook buiten Europa, middenin de Syrische woestijn, bracht hij trouwens ‘ravissante donkere schoonheden’ het hoofd op hol. En zelfs bij zijn begrafenis wist hij nog een menigte vrouwen op de been te brengen, ‘wenend, huilend, treurend, verdrietige gezichten verborgen achter zwarte rouwsluiers.’

Adellijke afkomst

De ronduit snoeverige ondertoon kan ik wel hebben. Die is soms bijna ontroerend, zoals in de passages waarin Cremer zich via zijn ouders een adellijke afkomst probeert toe te eigenen. Maar het is jammer dat het verhaal over vader Cremer, hoe avontuurlijk zijn leven ook geweest moet zijn, nergens echt spannend of opwindend wil worden. Daarvoor is het te veel een beschrijving uit de tweede hand, samengesteld uit talloze bij elkaar geharkte feiten en weetjes die lang niet altijd soepel of logisch op elkaar aansluiten. De vele, net wat te ouderwets of oubollig klinkende citaten uit zijn vaders reisverhalen (een bundel gepubliceerd in 1935) die Cremer door zijn verhaal strooit, werken vaak eerder vervreemdend dan verhelderend.

We moeten ons er dus zelf maar iets bij proberen voor te stellen hoe pa Cremer door Zuid-Europa reisde en welke ‘actieve rol’ hij speelde in de Spaanse Burgeroorlog. Ook moeten we maar gissen naar de precieze aard van de ‘vele tumultueuze’ verhoudingen die hij erop nahield. Ook zie ik niet meteen voor me hoe hij met een ‘rijwiel’ door een onherbergzaam gedeelte van Turkije trok, gekleed in een driedelig kostuum, met vest en hoed.

Odyssee is zeker een interessant, maar vooral ook een rusteloos en vermoeiend boek dat alle kanten uitwaaiert, zonder dat er een vaste kern in te ontdekken valt. Of het moest die ene steeds opnieuw vertelde gebeurtenis zijn, uit april 1945, die het verdere leven zou bepalen van een zoon die te jong op eigen benen moest staan, en die daarom op zijn 76ste nog steeds op zoek is naar zijn vader en moeder.