Een samenleving in het klein – met echte kerels

NDSM-werf

Het NDSM-terrein in Noord is bekend vanwege creatieve bedrijven, kunstenaars en festivals. Hoe zag de werf eruit toen daar duizenden mannen passagiersschepen en mammoettankers bouwden?

Foto's NDSM Herleeft

Foto’s NDSM Herleeft

„De stad was de plek van de beurs, van de banken en de witte boorden. Noord de plek van de arbeiders. Hier werd het geld verdiend en aan de overkant werd het verdeeld.” Zo schetst Ruud van der Sluis (70), initiatiefnemer van de Stichting NDSM-Herleeft, de verhoudingen tussen het centrum van Amsterdam en de noordkant van het IJ, halverwege de vorige eeuw. „De werven en de ontwikkeling van Noord zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden.” Van der Sluis groeide op in Tuindorp Oostzaan, waar bijna iedereen bij de NDSM werkte. „Als jongen ging ik daar stiekem met vriendjes spelen totdat we eraf gestuurd werden. Mijn vader was brandersbaas en rook als hij thuiskwam naar verbrand ijzer. Over Tuindorp Oostzaan hing altijd een vette olielucht die van de werf af kwam.” Bij Van der Sluis thuis konden ze een paar keer per dag de sirenes horen. „Dan wist je dat er weer gewerkt moest worden of dat het schafttijd was.”

De Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM) was na de fusie tussen de bestaande werven NSM en NDM in 1946 niet alleen de grootste werf van Nederland geworden. In de hoogtijdagen aan het einde van de jaren vijftig werkten er meer dan zesduizend man en domineerde de scheepsbouw de wijde omgeving. Vrachtschepen en mammoettankers werden er gebouwd, maar ook luxe passagiersschepen zoals de Oslofjord die in 1949 te water gelaten werd – volgens Van der Sluis nog steeds het mooiste schip dat in het IJ te water gelaten is.

Tekst loopt door onder de fotoreeks.

De geschiedenis van de NDSM is vandaag de dag op het terrein nog goed herkenbaar. De Scheepsbouwloods waar nu kunstenaars in zitten, de timmerwerkplaats waar MTV is gevestigd, de voormalige kraanbaan in het water waarop een gebouw voor creatieve bedrijven is gebouwd, de hellingen die gerestaureerd worden en de oude kraan die opgeknapt en omgetoverd is in een hotel met drie luxe kamers. Het is nog steeds goed voor te stellen dat hier schepen gebouwd werden – en het is niet voor niets dat het meest kenmerkende deel van de werf tot Rijksmonument is verklaard.

Niet praten maar werken

Maar waar nu hippe ondernemers en uitbundig geklede festivalgangers het beeld op het terrein bepalen, was de realiteit tot aan de sluiting van de werf in 1984 wel anders. „Het was een wereld van ‘niet praten, maar werken’,” zegt Leo van der Spek (77), voormalig tekenaar bij de NDSM en net als Van der Sluis een van de bestuursleden van NDSM-Herleeft. „Er was sprake van een duidelijke hiërarchie. Mijn baas kon ik in de jaren vijftig niet zomaar aanspreken, laat staan met ‘je’ of ‘jij’.”
Dat wilde overigens niet zeggen dat de werklui op de werf de ‘commandeurs’ – later toezichthouders genoemd – niet een hak konden zetten. Van der Spek: „Als het koud was, was het wel prettig als er vuurpotten waren waar je je aan kon warmen. Maar als de baas dat zag, dan schopte hij die zo van het schip af, het water in, omdat die vuurpotten te gevaarlijk waren. De volgende keer werd zo’n pot dan vast gelast en had die baas een pijnlijke voet.”

Onophoudelijke activiteit

Humor op de werf, waar de realiteit was dat arbeiders lange dagen maakten en het volgens Van der Spek „niet cadeau kregen”. Ook op zaterdag werd doorgewerkt, „de enige dag dat werknemers ook koffie van het bedrijf kregen”. Het leven op de werf was er een van onophoudelijke activiteit, van echte kerels, van lassers, branders en klinkers – twee miljoen klinknagels per schip waren geen uitzondering – en van stank en herrie. Van der Sluis: „Het was hard werken, op de werf heerste ook trots als er weer een schip gereed was. En het was een soort samenleving in het klein. De verschillende werkplaatsen kon je zien als wijken van een stad met hun eigen gemeenschap en cultuur – de NDSM was in die vergelijking het stadsbestuur met een eigen busdienst, een medische post en een eigen opleidingsinstituut waar jonge werknemers het vakwerk werd aangeleerd.”

Polygoon Journaal - Tewaterlating ‘Diloma’ vanaf de NDSM (22 oktober 1965)

In hun vrije tijd konden werknemers terecht bij een van de vele verenigingen, van toneel tot hengelsport en schaken tot voetbal. Met de Werfstemmen was er ook een eigen koor. „Het was een bijzonder bedrijf met een groot economisch belang, en waar de medewerkers zich mee verbonden voelden. Dat proberen wij levend te houden.”

De Nederlandsche Dok en Scheepsbouw Maatschappij (NDSM) ontstond in 1946 na een fusie tussen de Nederlandsche Scheepsbouw Maatschappij (NSM) en de Nederlandsche Dok Maatschappij (NDM). De NSM was in 1894 opgericht op het eiland Oostenburg in de oostelijke binnenstad.

In 1916 werd besloten om de werf te verplaatsen naar een gebied waar het water diep genoeg was voor de schepen die steeds groter werden. Dat werd de destijds nog lege Noorder IJ-polder aan de noordoever van het IJ.

Daar werden vier hellingen gebouwd, gevolgd door twee werkplaatsen en een machinekamer. Enkele jaren later volgde de grote scheepsbouwloods.

In de loop der tijd werd het scheepsbouwcomplex steeds verder uitgebreid. Op het westelijke deel van de werf was reparatie en onderhoud geconcentreerd, op het oostelijke deel werden nieuwe schepen gebouwd. In 1968 werd de NDSM overgenomen door Verolme en in 1971 onderdeel van het RSV-concern. Het aantal werknemers was onder invloed van automatisering en toenemende concurrentie al sterk afgenomen.

In 1979 werd de NDSM opgeheven. Een doorstart een jaar later onder de vertrouwde namen NSM (voor scheepsnieuwbouw) en ADM (voor scheepsreparatie) betekende uitstel tot 1984, toen het doek definitief viel.