Recensie

Een gedoemde manier van leven

Parijs

De lichtstad als feest, dat was hoe Parijs gezien wilde worden na de aanslagen van november 2015. Er is nog een andere kant: het smerige en vuige Parijs. Naar dat Parijs kún je verlangen, maar hoe reëel is dat?

Foto uit besproken boek

Na de brute aanslagen in Parijs, een jaar geleden, legden tal van Franse politici en commentatoren de nadruk op Parijs als een stad van feest en licht; op de golf van ontzetting werd de vertaling van Hemingway’s A Moveable Feast met de titel Paris est un fête een alomtegenwoordige bestseller. Maar die mythe van permanente elegantie en zwier is maar een van de vele gezichten van de stad, die ook een lange traditie van opstand en geweld kent. Ook aanslagen en slachtpartijen maken deel uit van die geschiedenis. Er is een rauw Parijs, een donker, intens, vaak gewelddadig, vuil en volks Parijs, een stad van dronkelappen, oplichters en sjoemelaars, van boeven, hoeren en kroegen. Volgens de van oorsprong Waalse, maar in het Engelse schrijvende essayist Luc Sante is dat het andere Parijs, een grotendeels verdwenen Parijs, dat zich niet zo gemakkelijk leent voor nostalgie in het mediatijdperk. Zijn boek wil dan ook een gedetailleerde en onsentimentele hommage zijn aan die ruige stad, de stad van het volk.

Sante toont zich een literaire flaneur. Hij zigzagt in een fraai afgemeten, laconieke stijl door de geschiedenis van zijn volkse Parijs, blijft nu eens hier staan, dan weer daar. Anders dan de Engelsman Graham Robb in zijn Parisians (2010), probeert Sante de ziel van de stad niet in de levensverhalen van zijn bewoners te vangen, ook al omdat van de meeste levens die hij wil beschrijven nauwelijks bijzonderheden bewaard zijn gebleven. Het gaat hem om het gekrioel in de nauwe straatjes op het Ile de la Cité, de om een werk verlegen zittende sloebers die zich in de oude Hallen ophielden, de hoeren in de café-concerts, de anonieme werklieden, ‘drukkers, kleermakers, manufacturiers, glazenmakers, tinnegieters, wapensmeden, brouwers, bakkers, slagers, timmerlieden, meubelmakers, metaalbewerkers, leerlooiers, handschoenenmakers, zadelmakers, boekbinders, schoenmakers’. Hij verlustigt zich in de fantasierijke namen van straten (Rue Perdue) en kroegen (Au lapin agile), van cabarets en bordelen. Hij somt de titels van populaire liedjes op, de namen van zangers en cabaretiers, hoeren en beroemde criminelen.

Weggevaagde buurten

Alles wordt in de marges van de bladzijden geïllustreerd door talloze historische foto’s, het merendeel van oude, verschoten prentbriefkaarten. Verdwenen straten, dichtgeslibte riviertjes, gesloopte panden, vergeten liedjes, door Haussmann weggevaagde buurten, Sante gaat ze allemaal af.

Juist door het opsommerige van zijn relaas duurt het even voordat je als lezer begrijpt wat hij met Het andere Parijs beoogt. Omdat hij zelden meer dan een paar regels stilstaat bij de namen die hij noemt, lijkt er aanvankelijk weinig tot leven te komen. Wanneer hij zich wel waagt aan een anekdote, is die ook meteen onvergetelijk: de aan lager wal geraakte zangeres Fréhel, die stomdronken op straat door agenten wordt aangehouden en dan, aangemoedigd door omstanders, in luid gezang uitbarst om arrestatie te voorkomen.

Maar uiteindelijk gaat het Sante om een manier van leven te laten zien, een culturele biosfeer, die vanuit ons heden meestal met afkeer en afkeuring wordt gezien. Het volk is gaandeweg uit Parijs verdreven (een recent, spraakmakend boek van de sociologe Anne Clerval heeft als veelzeggende titel Paris sans le peuple) en is keurig opgeborgen in zielloze, hygiënisch verantwoorde blokkendozen. De nijverheid is grotendeels gemechaniseerd, de volkscultuur vervangen door een massacultuur.

Dit soort weeklachten zijn suspect – en Sante toont zich terdege bewust van het gevaar van de nostalgie: ‘Niets blijft, elke levenswijze is voortdurend gedoemd te verdwijnen, iedereen die op middelbare leeftijd komt is het landschap van zijn kinderjaren verloren, iedereen die zich overgeeft aan zelfbeschouwing voelt zich bedreigd. Alles was voorheen altijd beter – in veel opzichten klopt dat waarschijnlijk ook, aangezien er om te beginnen minder mensen waren, wat betekende dat er meer plaats was en minder concurrentie om de ‘kliekjes’, en waardoor er meer ruimte was voor het toeval en de natuur.’ Die laatste, onverwachte wending tekent de essayist Sante – veel van zijn zinnen zijn voetzoekers. Wat Parijs betreft, wijst hij – naast usual suspect Georges-Eugène Haussmann die tijdens het Tweede Keizerrijk hele wijken liet slopen om ruim baan te maken voor zijn strakke stratenplan – Charles de Gaulle, Georges Pompidou en de oud-romancier en minister van Cultuur André Malraux als de grote boosdoeners aan, omdat zij in de jaren zestig en zeventig ‘hun nihil obstat gaven aan eerzuchtige jonge mannen, afgestudeerd aan topuniversiteiten, die de zaken graag groot zagen, die hielden van afkortingen en rechte hoeken, die van Parijs een krachtstad wilden maken, afgestemd op de aanwas van nieuw kapitaal en de vrije doorstroming van het moderne verkeer.’ Volgens Sante hebben de nieuwe managers het oude Parijs gesloopt – het Centre Pompidou is ‘agressief wanstaltig’, de opera Bastille een ‘parkeergarage’ en de Mitterrandbibliotheek ‘angstaanjagend’, met het uiterlijk van ‘een woningbouwproject op de maan.’

Is dit cultuurkritiek of cultuurpessimisme? In zijn beschrijvingen van het vergane, volkse Parijs doet Sante zijn uiterste best niet sentimenteel te zijn, smerigheid is echt smerig, geweld is echt gewelddadig, het leven was voor de meeste Parijzenaars een (schokkend korte) lijdensweg. Al onze aandacht gaat naar de beroemde schrijvers als Maupassant die syfilis opliepen, maar de duizenden naamloze, vaak jonge straatmeisjes die al vroeg besmet raakten en zelfs geen ineffectief medicijn konden betalen, zijn nauwelijks een voetnoot.

Schurend dilemma

In zijn hommage aan Parijs wekt Sante hun biotoop weer tot leven, met aandacht en empathie, maar daarmee legt hij ook een schurend dilemma bloot – wordt nostalgie door huidige cultuurcritici niet getekend door het verlangen naar een tijd waarin alles juist minder goed geregeld was? Volgens rationele maatstaven is de bevolking van Parijs tegenwoordig beter af dan in alle vorige eeuwen – hogere levensstandaard, betere hygiëne en gezondheid, oneindig betere sociale voorzieningen en meer gelijkheid ook. Maar heeft dat de stad, zoals Sante lijkt te menen, tegelijk van zijn volkse ziel beroofd?

Wie tegenwoordig door de Rue Mouffetard in het 5de arrondissement loopt, zal in dat hellende straatje met zijn chique truffel-, pasta-, macaron- en bonbonwinkeltjes weinig meer herkennen van de donkere bohemienstraat van een halve eeuw geleden. Op het nabijgelegen Place de Contrescarpe zijn de traditionele, stomdronken clochards nagenoeg verdwenen. Tegen het antieke uithangbord van wat eens de 18de-eeuwse, inmiddels allang verdwenen chocolaterie ‘Au nègre joyeux’ was, heeft iemand een pot paarse verf gegooid, vast en zeker vanwege de stereotiepe voorstelling van een lachende zwarte bediende. De buurt is onmiskenbaar welvarender geworden, en onbetaalbaar. Toch zouden de meeste 18de- en 19de-eeuwse Parijzenaars die Sante in zijn boek beschrijft, een moord begaan om in dit moderne Parijs te mogen wonen; dat Parijzenaars tegenwoordig op minstens een half uur reizen afstand wonen van de stad, is misschien wel het grootste probleem.

Aan het eind van Het andere Parijs erkent Sante het dilemma waar zijn boek uit voortkomt. Wie alles ordent, regelt, stroomlijnt, gladstrijkt volgens rationele principes, boekt zeker vooruitgang, maar loopt het gevaar het leven van iedere kleur en smaak te ontdoen. Uiteindelijk ziet Sante zijn verloren, volkse Parijs als een waarschuwende metafoor: ‘De geschiedenis van Parijs leert ons dat schoonheid een nevenproduct van gevaar is, dat vrijheid in het gunstigste geval het gevolg is van verwaarlozing, dat wijsheid vervlochten is met verval.’ Santes boek is een ode aan Parijs, maar meer nog een eerbetoon aan een gedoemde manier van leven.