Column

Een absurde dag

CULRoosmalen 1

Op de dag dat ik wakker werd met Donald Trump als president van de Verenigde Staten, reisde ik naar België waar ik te gast zou zijn in het satirische programma De Ideale Wereld. Ik had dat programma nog nooit gezien, maar volgens redacteur Steven was dat totaal geen probleem. Ik hoefde enkel mezelf te zijn en moest verder alles maar over me heen laten komen. De opnames vonden plaats in een oude fabriek in Vilvoorde, waar ik rond zessen werd verwacht voor een gemeenschappelijke maaltijd.

Presentator Otto-Jan Ham bleek een aardige jongen met een hipsterbaard. Hij zei meerdere keren dat ze van de absurde humor waren en ook dat ik vooraf in een kartonnen doos moest zitten waaruit ik tevoorschijn moest springen als hij mijn naam riep. Ik werd geschminkt en daarna naar redacteur Steven gebracht, hij zei dat er helemaal niets van me verwacht werd. We gingen op een absurde manier de absurde verkiezingsuitslag in de Verenigde Staten behandelen. Het maakte niet uit wat ik zou zeggen. Ik hoefde ook niet grappig te zijn, daar was Otto-Jan voor.

De vraag kwam op waarom ik eigenlijk was uitgenodigd.

Antwoord: „Wij vonden het leuk om een keer een in Vlaanderen onbekende Nederlander uit te nodigen.”

Bij de gemeenschappelijke maaltijd – Vlaams stoofvlees - vond ik mezelf terug tussen zes Vlamingen die niets zeiden. Ik dacht dat het een act was, pas veel later bleek dat ze van de techniek waren. Na het eten werd ik naar een VIP-kleedkamer gebracht, een glazen hok op de redactie met een koelkast en een niet werkend koffiezetapparaat, waarbij een lange gebruiksaanwijzing hing. Ze konden me allemaal zien, maar deden net alsof ze me niet zagen, wat ik op zich een hogere vorm van humor vond. Een half uur later gingen ze in optocht naar de studio waar het publiek werd opgewarmd door een jongen die dansend met snoepjes strooide. Ik brak goed uit de kartonnen doos en zat er daarna heel leuk bij als mezelf, terwijl de absurde humor over de absurde Amerikaanse verkiezingen me om de oren vloog. Na afloop kreeg ik een fles wijn en bracht een stagiair met een mutsje me naar het station. Onderweg zeiden we niets, wat de dag voor mij toch een beetje afmaakte.

Het station in Vilvoorde was een staketsel uit een andere tijd van hout en staal. Er waren verder geen mensen. Een blikkerige stem riep om het kwartier dat er voorlopig ‘helemaal geen’ treinen reden. Ik zette de fles wijn op de grond en zwaaide met mijn armen om mezelf warm te houden. Daarbij knapte mijn riem, waardoor mijn broek afzakte.
Een vriend belde.

Openingszin: „Wat een absurde dag, he?”

Van mij mocht het toen wel stoppen.

Marcel van Roosmalen heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.