Column

Bespeel mij

In de middenhal van het Centraal Station van Amsterdam zat een bejaarde vrouw achter zo’n piano, waarop iedereen mag spelen als hij daartoe de behoefte voelt. Deze vrouw had die behoefte in het geheel niet.

In haar winterjas zat ze een beetje in elkaar gezakt op de pianokruk. Op haar gebrilde hoofd stond een riant grote, beige alpinopet, meer geschikt voor het Hollandse laagland dan voor de Alpen. Er stond of zat niemand bij haar, waaruit ik opmaakte dat ze op treinreizigers wachtte. Op de zijkant van de zwarte piano stond in grote witte letters: „Bespeel mij” en „Play me”.

Als je in een bepaalde hoek voor de piano stond, zag je eerst die letters en dan de vrouw. Het leek mij een leuke foto waard, maar ik durfde het haar niet te vragen. Hoe kreeg ik mijn verzoek uitgelegd? Ik voorzag haar reactie. „Hoezo? U lijkt wel een vieze man, misschien bent u wel dé vieze man.” Ze was minstens zo oud als Kees van Kooten nú is.

Het was nog een geluk bij een ongeluk dat ik zelf geen piano speelde, anders had ik haar moeten verzoeken elders plaats te nemen. Ik vroeg me af of ik hier zou durven spelen als ik het gekund had. Het spelen op het station moet iets verleidelijks voor de liefhebber hebben, omdat het niet aan voorwaarden gebonden is. Bij de Openbare Bibliotheek, even verderop, is dat anders. Daar gelden speciale huisregels: eenmaal spelen per dag, niet langer dan dertig minuten en spelen met een licht touché.

Op het Centraal Station mag je erop loshakken zolang als je wilt, als je maar wel zo sportief bent om plaats te maken voor een ander als die zich aandient. Ook mag je met enkele begeleiders een bandje vormen. In de bibliotheek zou dat te veel lawaai veroorzaken.

Daar staat tegenover dat je als pianist op het station wel bestand moet zijn tegen het lawaai van langslopende reizigers en – vooral – omgeroepen mededelingen. Je zult maar net bezig zijn aan een vervoerend stukje Schubert als de omroeper genadeloos hard meldt: „De intercity naar Den Bosch vertrekt niet van spoor zes maar van spoor acht.”

Zomaar ongevraagd iets moois spelen op het station heeft de charme van een fantasie van Kees de Jongen of Walter Mitty. Niemand verwacht iets van je, je loopt op een onbewaakt moment naar de piano, speelt onhandig een deuntje en op het moment dat er enkele mooie vrouwen passeren, haal je Chopin uit de kast, zó subtiel en tegelijk dwingend, dat die vrouwen, diep ontroerd, aan de grond genageld blijven staan. „Dat moet een professional zijn”, zegt de een. „Ik heb gehoord dat het een concertpianist is die hier af en toe voor de lol komt spelen”, zegt de ander.

Ze besluiten even kennis te maken.

De praktijk is weerbarstiger. Ik heb een kennis die muzikaal is aangelegd en met een groepje regelmatig in het openbaar musiceert. Hij vertrouwde me laatst toe dat hij op muzikaal gebied één grote, stille wens heeft: in z’n eentje pianospelen op zo’n openbare plek. Maar hij durft het niet. Hij loopt er weleens heen, maar als hij merkt dat er al iemand speelt, gaat hij opgelucht gauw weer weg. Staat de piano er onbeheerd, dan talmt hij net zolang tot iemand hem vóór is.

Ik heb hem uitgelegd dat de woorden „Bespeel mij” een uitnodiging verwoorden die je niet zomaar mag afslaan. Daarvoor is het leven te kort.