Zwammen

Ik dacht dat het toch nog zeker een jaar of dertig zou duren voor ik hardop in mezelf zou gaan praten, maar blijkbaar was er alleen mijn jaarlijkse trip naar Ameland voor nodig. Gistermiddag liep ik in het Nesserbos paddestoelen te fotograferen, en realiseerde ik me opeens dat ik helemaal alleen was. Wat ik ook zei, ik zou mezelf er eens een keertje niet mee beschamen, er waren geen getuigen.

„Hallo kleintjes”, zei ik tegen een tros zwavelkopjes die ook maar hun leven aan het leven waren op een vermolmde boomstam. „Hoe is het met jullie?” Hardop gaf ik antwoord voor de schimmels (ze spraken Vlaams).

„Het gaat heel goed, Ellen! Maar hoe is het met u?”

„Best oké, wat attent dat jullie het vragen. Maar wacht, zie ik daar niet een vliegenzwam? Hallo daar! Waar is jouw kaboutertje gebleven?” De vliegenzwam blikte sip omlaag, en zei met een piepstemmetje dat zijn bewoner hem had verlaten. „Hij was op mij uitgewipt”, zei hij bedroefd. „Wat een klootzak”, riep ik, „Alle kabouters zijn hetzelfde!” Ik sprak een stapel elfenbankjes aan die op een sparrestam groeiden, maar die stotterden zo hevig, dat ik hen met rust liet en mijn aandacht richtte op een geschubde inktzwam, die mij (met zwaar Antilliaans accent) zijn mening over de Amerikaanse verkiezingen kenbaar maakte.

En toen hoorde ik achter me gegiechel. Ik keek om en zag twee meisjes, niet ouder dan een jaar of tien. Ze staarden me zowel bevreesd als gefascineerd aan. Als je betrapt wordt op dementerend gedrag zijn er twee keuzes. Je kunt zo normaal mogelijk doen, in de hoop dat de getuigen zullen vergeten dat je echt heel raar deed. Of je kunt jezelf omhelzen.

„Ssst”, zei ik, „stop met lachen, jullie maken onze zoogdierklasse te schande. Wees stil of ga ergens anders heen.” De meisjes stopten met lachen en klemden hun lippen op elkaar. Ze bleven staan en keken me verwachtingsvol aan. Ik draaide me om en ging weer verder met mijn externe monoloog. Ik had met een club honingzwammen een gesprek over hoe het nou eigenlijk voelt dat je als schimmel pas in de herfst in de puberteit komt. Wilden zij niet liever bakken op Salou, zoals iedere zichzelf respecterende tiener? De honingzwammen zeiden dat ze daar nog nooit bij hadden stilgestaan. „Breng ze niet op ideeën”, sisten de zwavelkopjes. Zo kletste ik verder. Op een zeker moment hoorde ik achter me de meisjes weglopen. Ik was mijn publiek kwijt. Langzamerhand doofden de stemmen, en deden de schimmels er het zwijgen toe.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen