Cultuur

Interview

Interview

Foto Roger Cremers

‘We maken geschiedenis met de kunst van nu’

Twee jaar is Beatrix Ruf nu directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ze wil de collectiepresentatie drastisch veranderen. „Echt alles zal er straks anders uitzien.”

Met open armen staat Beatrix Ruf voor de deur van haar kantoor, op de bovenste verdieping van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een kleine vrouw met een grote uitstraling, zelfverzekerd en hartelijk tegelijk. Of ze nog even een sigaretje mag roken voor we gaan praten. En nee, ze is niet van plan om te stoppen, zegt ze met heldere stem. „Ik geniet er nog te veel van.” Ze praat Engels, omdat ze zich dan beter kan uitdrukken, zegt ze. Maar ze kan zich intussen ook best aardig in het Nederlands redden.

Twee jaar is ze nu directeur van het Stedelijk Museum. Anders dan haar voorgangster Ann Goldstein voelde ze zich in Amsterdam meteen als een vis in het water. Voortvarend begon ze vanaf dag één met het uitstippelen van een tentoonstellingsprogramma. Dat was fris en gedurfd. Zo mocht Tino Sehgal het museum een jaar lang in beslag nemen met zijn ‘interventies’ en kreeg de jonge computerkunstenaar Ed Atkins de hele kelderruimte ter beschikking. Oudere rotten als Isa Genzken en Seth Siegelaub werden geëerd met allesomvattende retrospectieven. Ruf is een directeur die zichtbaar is in de stad, die openingen bezoekt en meedoet aan discussies. Schreven kranten iets wat niet klopte, dan reageerde ze persoonlijk met een ingezonden brief.

Het Stedelijk Museum maakte de film ‘A Year with Beatrix Ruf’. Lees verder na de video.

Zoals twee maanden geleden, toen Ruf bekendmaakte dat ze de collectiepresentatie van het Stedelijk volledig wil gaan veranderen. Vanaf de zomer van 2017 zal de vaste collectie niet meer in de oudbouw te zien zijn, maar in de nieuwe vleugel. Samen met architect Rem Koolhaas werkt Ruf aan een presentatiemodel waarin kunst en design zullen worden samengevoegd. Om die nieuwe opstelling te kunnen inrichten, zal de kelderzaal vanaf het eind van het jaar enkele maanden gesloten zijn. Dat bericht zorgde voor een kleine schok in de kunstwereld. Was er niet al genoeg verbouwd? En waarom werden de topstukken verbannen naar de raamloze kelder, terwijl het Stedelijk beschikt over mooie daglichtzalen?

Ze snapt de commotie wel, zegt Ruf. „Het betekent dat het publiek zeer betrokken is bij dit museum. Het Stedelijk heeft een lange geschiedenis, velen hebben hier hun eerste kennismaking met hedendaagse kunst gehad. Steeds als er grote veranderingen op stapel staan, spelen de emoties weer op. Ik snap dat er na de lange verbouwingen uit het verleden een trauma is. Zodra je een architect als Koolhaas in de arm neemt, denken mensen dat we opnieuw gaan verbouwen. Dat is niet zo. Ik verwacht trouwens dat er nog veel meer discussie zal komen. Want ja, het zal er echt heel anders uitzien straks.”

Waarom schreef u op persoonlijke titel ingezonden brieven naar de Volkskrant en Het Parool?

„Omdat ik nog niet voldoende had kunnen uitleggen waar we mee bezig zijn. Ik wilde meteen duidelijk maken: nee, we gaan niet dicht! We veranderen alleen de ervaring in het gebouw. Er is op dit moment ook geen daglicht in het museum, in geen van onze expositieruimtes. Ook in de oudbouw werken we met spots. Dat is tegenwoordig internationaal de eis voor bruiklenen. Daglicht is niet goed voor kunstwerken.”

Vindt u de manier waarop de collectie nu wordt gepresenteerd te klassiek?

„De collectie is de belangrijkste pijler van dit museum. Het is de taak van het museum om die aan het publiek te tonen. Maar dat publiek verandert. Dankzij internet is onze manier van verwerken van beelden en van kennis drastisch veranderd. Vroeger zocht je informatie op in een bibliotheek, dan pakte je eerst het ene boek en daarna het andere. Dat was een lineaire manier van leren. Tegenwoordig heb je te maken met meerdere informatiebronnen. Mensen kunnen veel verschillende beelden tegelijk opnemen en de hiërarchie daartussen is verdwenen. Beelden en schilderijen staan niet meer hoger in aanzien dan foto’s of tekeningen, alles is even belangrijk. ‘Post-medium’, noemen ze dat in museumtaal. Musea als het MoMA in New York en Centre Pompidou in Parijs vragen zich hetzelfde af: hoe kunnen we onze presentaties aanpassen aan de ervaringen die bezoekers in het dagelijks leven ook tegenkomen?”

Wordt de nieuwe opstelling een chronologisch verhaal?

„Jazeker. We hebben veel discussies gehad over wat de zogenaamde ‘topstukken’ in de collectie zijn. Wat zijn de hoogtepunten die het publiek zou aanwijzen? En wat zijn de hoogtepunten in de kunsthistorische canon? Die zijn niet automatisch dezelfde. Wat mij interesseert, is hoe de Stedelijk-collectie in de loop der decennia is opgebouwd en gegroeid. Je hebt te maken met de objectievere, kunsthistorische canon van een periode, maar ook met de individuele keuzes van de museumdirecteuren. Een collectie is altijd gebonden aan een specifieke tijd en plaats en aan persoonlijke beslissingen. Dat wordt ons uitgangspunt.

„Toen kwam de vraag: waar gaan we dat doen? In het oude gebouw is het parcours van de zalen heel lineair. Dat werkt goed voor tijdelijke tentoonstellingen. Maar als je de geschiedenis van de collectie wilt tonen, is het veel interessanter om dat in de nieuwe ruimtes te doen. Daar kun je een architectonische opstelling maken die een chronologie laat zien maar tegelijkertijd ook dwarsverbanden legt. We hebben Rem Koolhaas gevraagd omdat hij zich veel heeft beziggehouden met nieuwe presentatievormen – kijk maar naar zijn inrichting van de Prada Foundation in Milaan of zijn presentatie op de architectuurbiënnale in Venetië. Hij denkt na over hoe beelden verbanden met elkaar aangaan en hoe je dat het beste kunt tonen.”

Zal er straks meer van de collectie te zien zijn dan nu?

„Ja, bijna twee derde van het museum zal aan de collectie gewijd zijn. Op de begane grond van het oude gebouw gaan we tijdelijke collectiepresentaties maken vanuit een actuele invalshoek. Dat kan nieuw onderzoek zijn, een aankoop, schenking of restauratie. Wat zijn kunstenaars of kunstwerken die vergeten zijn? Wat zijn de sterke punten en de zwakheden van de collectie? Waar liggen de connecties met kunstwerken uit de niet-westerse wereld? Welke verhalen zijn onderbelicht gebleven en waarom? Er zit ook schoonheid in de identiteit van een collectie, en de punten waarop zo’n collectie gefaald heeft. Dat betekent niet dat we die hiaten gaan opvullen. Het heeft geen zin om nu opeens Indiase kunst te gaan aankopen omdat dat nu populair is.”

Na twee jaar begint zich een duidelijke lijn in uw tentoonstellingsprogramma af te tekenen. U koos voor jonge kunstenaars die reflecteren op modernistische lijnen in de collectie, zoals Avery Singer en Saskia Noor van Imhoff, en voor mensen die met nieuwe media werken, zoals Ed Atkins en Jon Rafman. Voor ouderwetse, ambachtelijke schilders lijkt er geen plek meer te zijn.

„Avery Singer werkt dan wel met gewone spuitverf, haar houding is wel degelijk die van een schilder, sterk geworteld in de kunsthistorische traditie. En Magali Reus maakt haar sculpturen op een zeer ambachtelijke manier. Haar werk heeft haast een fetisj-achtige aandacht voor het materiaal en het lichaam. Wat ik interessant vind, is hoe jonge kunstenaars die digitale ervaringen vertalen in hun media. Ed Atkins maakt er animaties van, maar ook tekeningen. Daarom is Isa Genzken voor ons zo’n belangrijke kunstenaar. Zij werkt al heel lang op zo’n collage-achtige manier, waarbij er geen hiërarchie is tussen materialen. Zij is alweer wat ouder, maar wel van grote invloed op de jongere generatie.

„Als museum bouwen wij aan de geschiedenis, maar we bouwen met het nu. In de jaren zestig heeft iemand als Jean Tinguely shows gemaakt die velen zich nog goed kunnen herinneren. Dat willen we natuurlijk ook bereiken met de hedendaagse kunst van nu. Dat is waar dit instituut altijd voor heeft gestaan: om nieuwe ideeën te introduceren en niet alleen de gevestigde orde te tonen. Wij willen mensen laten ervaren wat er nu gaande is in de kunstwereld. Tentoonstellingen met jonge kunstenaars nemen we heel serieus, we kopen hun werk ook heel vroeg aan. Niet alleen omdat het aankoopbudget anders een probleem is, maar vooral omdat hun werk nu relevant is.”

In het Stedelijk zie je nu ofwel blockbusters als Matisse en Tinguely, ofwel heel jonge kunstenaars. Maar voor midcareer artists lijkt nauwelijks nog een platform te zijn. Wordt het niet eens tijd voor een Steve McQueen-retrospectief of een Rineke Dijkstra-overzicht?

„Dit is een wereldwijd probleem, dat baart mij ook zorgen. Toevallig heb ik daar laatst nog een gesprek over gehad met het MoMA. Maar het Stedelijk moet dapper genoeg zijn om te zeggen: wij doen het anders. De momenten waarop ik het gelukkigst ben, is wanneer je van een Tinguely-show wandelt naar iemand als Jordon Wolfson, een jonge kunstenaar van wie volgende week een solo opent. Ik ben er trots op dat we het lef hebben die richting op te gaan. Dat we een heel jaar lang Tino Sehgal kunnen laten zien. Geen ander museum durft dat. Natuurlijk willen we zoveel bezoekers trekken als mogelijk, maar we hebben ook de taak om het nieuwe te tonen en om onderbelichte, belangrijke figuren uit de kunstgeschiedenis weer voor het voetlicht te brengen.”

Er bestaan veel zorgen over de Amsterdamse kunstscene, nu kunstcentrum de Appel al een tijd in zwaar weer verkeert en u het Stedelijk Museum Bureau Amsterdam (SMBA) heeft gesloten. Veel kunstenaars ontvluchten de stad zodra ze klaar zijn met hun studie, omdat er geen goedkope ateliers zijn en ze nergens hun werk kunnen tonen. Is Amsterdam nog wel een stad voor kunstenaars?

„Dat zijn precies de vragen die we ons stellen bij het onderzoek naar de toekomst van het SMBA. We voeren daarover veel gesprekken met Amsterdamse kunstenaars en willen nog een aantal publieke debatten houden. In het voorjaar moet er dan een plan klaarliggen. Het is een heel interessant moment voor de stad. Ik zie al kleine veranderingen. Er beginnen weer nieuwe kunstenaarsinitiatieven op te poppen. Maar er zijn ook grote politieke problemen. In het verleden kozen kunstenaars als Marlene Dumas of Steve McQueen ervoor zich in Amsterdam te vestigen, maar voor jonge kunstenaars is dat niet zo makkelijk meer. Internationale kunstenaars van De Ateliers, het Sandberg, de Rijksakademie en de Rietveld, moeten als vreemdelingen na hun studie het land weer verlaten. De nieuwe wetgeving is in dat opzicht echt een probleem.

„Maar ook vastgoed is een issue, dat heb ik zelf wel gemerkt toen ik hier een huis zocht. Amsterdam is booming, goedkope werkruimte is nergens meer te krijgen. In Londen speelt dat probleem al langer. Daar probeert de burgemeester nu mensen van de culturele sector en de financiële wereld bij elkaar te brengen om ervoor te zorgen dat kunstenaars atelierruimte kunnen krijgen. Zoiets zouden we hier ook kunnen opzetten. Het is zo belangrijk voor Amsterdam dat de stad de mogelijkheden schept zodat kunstenaars hier blijven. Zij vormen het culturele weefsel dat we zo graag willen hebben.”

Hoe kijkt u terug op die eerste twee jaar?

„Ik ben vooral heel blij met de vele donaties die we krijgen, zoals de zeer omvangrijke schenking van verzamelaar Thomas Borgmann, die we volgend jaar laten zien. Maar ook kunstenaars schenken veel. Ik heb net gehoord dat we twee fantastische sculpturen van Isa Genzken krijgen. Liam Gillick, Rirkrit Tiravanija, Ed Atkins, Avery Singer, Erik van Lieshout, Matt Mullican, John Rafman en Steve McQueen hebben werk geschonken. Dat is voor mij het belangrijkste teken dat kunstenaars zich weer thuis voelen in het Stedelijk.”