Trefzeker, geestig en meedogenloos

In haar kleine oeuvre schreef Helga Ruebsamen (1934-2016) graag over buitenbeentjes. Gewone mensen vond ze „saai”.

Foto Sake Elzinga

Schrijven is mijn doel, zei Helga Ruebsamen twee jaar geleden in haar laatste interview met NRC. „Publiceren heb ik nooit veel gedaan. Ik vind publiceren gewoon niet zoveel aan.” De dinsdag op 82-jarige leeftijd overleden auteur zal dan ook de geschiedenis ingaan als de schrijver van een relatief klein oeuvre van veel verhalen en één grote roman: Het lied en de waarheid.

Er is veel mis met de mensen in Ruebsamens verhalen, die wemelen van de buitenbeentjes. Gewone mensen vond ze vaak maar „saai”. Al plaatst ze die vreemde mensen graag in een keurig decor. Zo begint haar verhaal ‘Postbode’ uit de wrang-sublieme verhalenbundel Beer is terug met de zinnen: „De bel ging. Het was een uur of elf. Dora stond in haar peignoir in haar droomkeuken. Ze stond hier al een poosje, maar ze wilde eigenlijk niets. Behalve weer terug naar bed, met alle dekens over haar hoofd.” Volgt een ontmoeting met de postbode, die ook een hele merkwaardige man blijkt. Het is een typisch Ruebsamen-verhaal waarin twee mensen die buiten de gewone maatschappelijke indelingen vallen, elkaar even vinden – niet voor niets spelen veel van die verhalen zich af in over het algemeen zeer aangeharkte Haagse kringen, met de drankkast op een kier.

Hegla Ruebsamen in 2014, geïnterviewd door Adriaan van Dis. Lees verder na de video.

Groots onthaald

Ruebsamen (geboren op 4 september 1934) schreef trefzeker en geestig en ze wist van zichzelf dat ze ook niet geschikt was voor andermans verwachtingen: ze volgde een dansopleiding, werkte als journalist en debuteerde op haar dertigste met de bundel De kameleon (1964), nadat haar eerste echtgenoot haar verhalen had ingestuurd voor een literaire prijs. Haar meest productieve jaren, althans naar publicaties gemeten, kende Ruebsamen in het laatste deel van de vorige eeuw, beginnend met de verhalenbundel Op Scheveningen (1988). In 1997 publiceerde ze de grote autobiografische roman Het lied en de waarheid over haar eerste vijf levensjaren in Nederlands-Indië en de vijf daaropvolgende oorlogsjaren in de onderduik in Den Haag. Het boek werd groots onthaald.

In NRC schreef Elsbeth Etty: „Ruebsamen heeft al haar reeds bekende kwaliteiten, haar beschrijvingskunst, haar lichtvoetigheid, haar humor, haar trefzekerheid en haar vermogen om meedogenloos in al haar personages door te dringen, subliem ingezet om Het lied en de waarheid zuiver en overtuigend te laten klinken. Wadend door een poel van herinneringen en niemand sparend heeft ze gezocht naar het paradijs dat ze niet heeft hervonden. De rottende puinhoop die ze aantrof heeft ze niettemin bitterzoet en wonderschoon beschreven.” Het boek leverde haar de Bordewijkprijs en een nominatie voor de Libris Literatuurprijs op. In latere jaren volgden de Annie Romein Prijs en de Anna Bijns Prijs voor haar hele oeuvre.

Dat werd uiteindelijk niet meer uitgebreid met De bevrijding, het wel aangekondigde, maar nooit verschenen vervolg op Het lied en de waarheid. Zelf zei ze daarover: „Het is geen kunst om een boek bij elkaar te lullen, maar ’t moet iets worden waarmee ik met een tevreden lach, om met Andreas Burnier te spreken, dit hoofdstuk kan afsluiten.” Dat slotakkoord bleef uit, al vlamde de hoop van haar lezers twee jaar geleden nog even op toen Ruebsamen onverwacht een glansrol vervulde in een speciale Boekenweek-reprise van het boekenprogramma van Adriaan van Dis. Schrijven bleef ze doen, in elk geval een uur per dag – maar tot publiceren liet ze zich niet meer verleiden, al was het maar om duidelijk te maken dat alle karakters die ze schiep hun non-conformisme niet van een vreemde hadden.