Column

Trump won, omdat we niet leerden van eerdere crises

Column

©

Wachten kan niet meer, de sluitingstijd van de krant nadert. Tijdens mijn laatste blik op een nieuwssite zag ik Pennsylvania van kleur verschieten, van grijs naar rood. Daarmee is het pleit beslecht. Brexit had ik verwacht, dit niet. Wat we meemaken is het einde van een tijdperk. Het land dat de koude oorlog heeft gewonnen wordt vanaf vandaag geleid door een bewonderaar van Poetin, de man die democratie minacht en de Sovjet-Unie in zijn oude luister wil herstellen. Deze dramatische uitkomst maakt de vraag des te prangender hoe de opkomst van het populisme in de gehele Westerse wereld kan worden verklaard.

Voor het begin van een antwoord moeten we zes campagnes terug, naar de overwinning van Bill Clinton. De analyse was indertijd simpel: „It is the economy, stupid.” In een eerdere column over populariteit van Trump en de afkeer van vrijhandel heb ik het onderzoek van David Autor beschreven. Aan de hand van de uitslagen van congresverkiezingen per district heeft hij laten zien dat de steun voor de standpunten van ofwel Trump ofwel Sanders wordt verklaard door het lokale banenverlies als gevolg van concurrentie vanuit China. Die diagnose leidde tot veel reacties, onder andere van Arnon Grunberg in de Volkskrant. Te economisch, was zijn commentaar.

Echter, de grote rol van economische crises in de electorale overlevingskansen van zittende regeringen is niet iets van vandaag of gisteren. Twee economen, Arthur Schram en Arthur van Riel, hebben in een prachtig onderzoek laten zien hoe de verkiezing van Hitler in de de dertiger jaren het rechtstreekse gevolg was van de Grote Depressie. Ook zij maken gebruik van regionale verschillen in verkiezingsuitslagen om te laten zien dat juist in die regio’s waar de werkloosheid het sterkst was opgelopen, de steun voor Hitler het grootst was. Na een crisis wil de kiezer iets nieuws. De daling van de werkloosheid na zijn machtsovername in 1933 verklaart waarom hij aan de macht kon blijven. We kennen de gevolgen.

In zijn prachtige boek The Hall of Mirrors uit 2015 vergelijkt de economisch historicus Barry Eichengreen de Grote Depressie met de Grote Recessie na de ondergang van Lehman. The Hall of Mirrors, de Spiegelzaal in het paleis van Versaille, is een verwijzing naar de plaats waar de Eerste Wereldoorlog officieel werd beëindigd en waar de Tweede Wereldoorlog officieus begon. Eichengreen onderzoekt in zijn boek hoe de lessen die de wereld eerder heeft getrokken uit de Grote Depressie de reactie op de Grote Recessie heeft bepaald. (Terzijde: Ben Bernanke, toen voorzitter van de FED, had als hoogleraar naam gemaakt met onderzoek naar de Grote Depressie. Dat hielp.) Eichengreens conclusie was dat door die ervaring de belangrijkste fouten uit de jaren dertig nu zijn vermeden: banken zijn gered, de wereldhandel is niet ingestort, het democratisch bestel heeft overleefd. Je moet je na vandaag afvragen of Eichengreens conclusie niet te voorbarig is geweest.

Coen Teulings is hoogleraar aan de universiteiten van Cambridge en Amsterdam.