Hij overleefde het Bataclandrama en maakte er een strip van

Grafisch ontwerper Fred Dewilde was een jaar geleden ooggetuige van de aanslag in de Parijse club Bataclan. Hij tekende het trauma van zich af in zijn eerste stripboek, ‘Mon Bataclan’.

"Jesse, de hysterische malloot, maakt de show, warmt de zaal in twee minuten op, daagt ons uit. Iedereen lacht. Leuk concert." Fred Dewilde

Het eerste beeld dat Fred Dewilde in zijn hoofd had, is het laatste dat hij tekende. Het is de slotpagina van zijn ooggetuigenverslag in stripvorm van de verschrikkingen in concertzaal Bataclan toen terroristen daar een jaar geleden een bloedbad aanrichtten. Je ziet de auteur, het hoofd gebogen, over Boulevard Beaumarchais de donkere Parijse nacht inlopen, terug naar huis, terug naar zijn vrouw. „Ik ken de geur, de smaak van wreedheid, van het onbegrijpelijke”, staat er in een tekstwolkje. „Maar vanavond zal ik slapen omhelsd door liefde.” Het was het einde van de eerste dag van zijn nieuwe leven.

„Op het moment dat ik daar over die boulevard liep wist ik dat het voorbij was”, zegt Dewilde aan een tafel vol inkttekeningen bij zijn uitgeverij in het centrum van Parijs. „Tijdens het maken van dit boek heb ik me daar steeds aan opgetrokken. Ik wilde zo graag bij dit beeld uitkomen, dat ik daardoor de kracht had om door te gaan. Met iedere pagina die ik tekende, hoe pijnlijk dat ook was, voelde het alsof ik een stap dichter bij de uitgang kwam.” De uitgang van de Bataclan, maar ook die van zijn eigen trauma’s. „De ideeën en de beelden die in mijn hoofd zaten, moesten eruit.”

Lap mensenvlees

Fred Dewilde is een pseudoniem. De 50-jarige tekenaar van het afgelopen maand verschenen Mon Bataclan (Lemieux Editeur) is in het dagelijks leven grafisch ontwerper en vader van drie kinderen. Hij wil liever anoniem blijven. Dit is zijn eerste stripboek dat daadwerkelijk uitgegeven wordt. „Maar getekend heb ik altijd, tijdens vergaderingen, tijdens gesprekken”, zegt hij. Op tafel ligt ter bewijs een aantal weinig flatteuze portretjes dat hij van zijn interviewers maakte. „De drang om weer te tekenen is sterk teruggekomen na wat er gebeurd is. Het voelt echt of ik geluk heb gehad dat ik de tekenkunst had om dit kwijt te raken. Dat heeft niet iedereen.”

Fred Dewilde

“Buiten horen we de sirenes, dus de buitenwereld weet…. Weet mijn vrouw het? Mijn zoon? Mijn ouders? De horror. Telefoons gaan af, gevolgd door schoten. Ze schieten in de richting van waar beltonen klinken, of droom ik dat? En wat als het straks een granaat is en niet een van die jongens? Zijn ze bezig het gebouw te bombarderen, de lichamen te bedelven. De schoten die we horen doden ons niet, dat is geruststellend.” Fred Dewilde

Wat overigens niet wil zeggen dat hij in staat was alles te tekenen wat hij gezien heeft. „Sommige dingen zijn te erg. De meest vreselijke beelden heb ik voor mezelf gehouden”, zegt hij met een droef lachje. „Soms zijn kleine details genoeg om de gruwelijkheid over te brengen.” Hij doelt op het beeld van een lap mensenvlees die op zijn arm landt als een van de terroristen zijn bomgordel tot ontploffing heeft gebracht. Een stuk bot ligt vlakbij. „Dat was echt. Ik heb het gezien. Maar het staat ook symbool voor hoe extreem het was.” Het goede is wel, zegt hij, dat hij nu in eerste instantie de strip voor de geest haalt, en daarna pas de echte beelden.

Ruiters van de apocalyps

Terug naar die 13de november 2015. Het begon zo gemoedelijk. Met een groepje vrienden had Dewilde afgesproken voor het concert van Eagles of Death Metal. Er was bier, vrolijke muziek en gelach. Rond 21.40 kwamen de terroristen binnen – drie volgens de reconstructies, maar Dewilde zag er vier. („Dit is mijn werkelijkheid”, zegt hij een paar keer.) Hij beeldt ze in het boek af als de ruiters van de apocalyps met doodshoofden en vurende kalasjnikovs. In de chaos die volgt en die op de tekeningen haast voelbaar is, valt Dewilde op de grond. „Toen ik naast me een man in de ogen keek en zag dat hij dood was, wist ik dat het geen spelletje was, geen grap. Het was een terreuraanslag en ik was nog in leven, tussen de doden.”

Hij rent verder, probeert de uitgang te bereiken, maar laat zich vallen na nieuw geweervuur. Plat op zijn buik, met opzet middenin een plas bloed. „Dat zou me een geloofwaardige dode maken.” Naast een meisje „dat mijn dochter had kunnen zijn” en dat hij in het boek Elisa noemt, houdt hij zich bijna twee uur stil. „Toen ik mijn hoofd even ophief, dacht zij dat ik weg wilde gaan. Zij kon niet, zei ze, ze was gewond. Ik zag hoe ver de deur nog was en op dat moment besloot ik dat we samen zouden blijven liggen. We deden alsof we dood waren. Geen beweging was toegestaan. Zelfs toen mijn telefoon rinkelde, mocht ik niet reageren.” Dat was een bewust besluit, zegt hij, waardoor hij denkt dat ze het beiden hebben kunnen overleven.

Fred Dewilde

“Bericht op mijn mobiel. Geen schot (pistool/geweer). Nog een bericht. Nog steeds geen schoten. Het wordt weer rustiger. Ik word er wakker van, was quasi in slaap gevallen” - “Deze keer gaat hij [de telefoon] af. Mijn vrouw? De collega die tegenover woont? Mijn zoon? Bij ieder telefoontje vrees ik voor een schot” - “Elisa reageert als ze ‘Opstaan!’ ‘Handen in de lucht hoort’. Ze kijkt en ziet zwarte helmen… het is de politie!”. Fred Dewilde

Hij vertelt over de gitzwarte humor als hij samen met een zekere Noël eindelijk buiten het gebouw is gekomen. „In mijn tijd had je de pogo, een punkdans waarbij je tegen je buurman botste, zeg ik tegen Noël”, schrijft hij. „Daarna had je stagediven. […] Maar nu heb je jongeren die de zaal in komen met kalasjnikovs. Ik ben duidelijk te oud voor concerten.” Dit soort onwaarschijnlijke humor, zegt Dewilde, „was een manier om een soort menselijkheid te behouden, om je te beschermen tegen de gekte. Iemand anders die het overleefd heeft, vertelde me dat hij met de bassist van de band opgesloten zat en hem gezegd heeft dat hij hun laatste concert in Parijs net iets beter had gevonden. Dat vond ik geruststellend: ik was niet de enige die grapjes maakte.”

Negentig mensen dood, vele honderden gewonden. Hij had geluk, zegt hij keer op keer. Hij had niets, behalve een trauma. „De explosies, de schoten… maar daarna ook de sirenes en de zwaailichten: alles was even stressvol. Je zit in een werkelijkheid waarover je geen enkele controle meer hebt. Dat is het meest beangstigende. Het is alsof je rustig op een stoel zit en opeens een boomstam in je gezicht krijgt. Ik heb dingen gezien waar geen mens op voorbereid is. Merde, ik kwam alleen om wat muziek te luisteren.”

Ook zijn vrienden hebben het overleefd. Het koppel met wie hij naar het concert was, zei zich schuldig te voelen omdat het zo snel kon vluchten. „Ik had waarschijnlijk hetzelfde gedaan als ik dichterbij de deur was geweest. Zelf heb ik geen schuldgevoelens. Er zijn mensen die over anderen hebben gelopen om te vluchten. Dat heb ik niet gedaan. Natuurlijk had ik beter willen zijn dan ik was, iedereen wil de held van de film zijn, maar ik kan mezelf geen verwijten maken.” Het helpt, schrijft hij, dat ook Elisa het drama heeft overleefd.

De herdenkingen laat hij dit weekend aan zich voorbijgaan. „Geen zin in politici die ons verbieden vragen te stellen en alleen maar oorlogstaal uitslaan”, zegt hij. In oktober was hij met Elisa en met zijn vrouw en andere slachtoffers even terug in de Bataclan, die komend weekend heropent. Dat maakte indruk, maar ook niet veel meer. „Er zijn nu geen verboden plaatsen meer”, zegt hij. „De volgende stap is dat ik weer een keer een concert bijwoon. Maar dat zie ik voorlopig niet gebeuren.”