Column

Mulisch’ vrouwen

Vrouwen namen een opvallende plaats in het leven van Harry Mulisch in – en dus ook in het boek Zijn eigen land dat Robbert Ammerlaan samenstelde uit allerlei, vaak nooit eerder gepubliceerd, materiaal – een ware goudmijn voor Mulisch-liefhebbers.

Nogal wat vrouwelijke partners komen zelf aan het woord, hetzij in brieven, hetzij in gesprekken met Ammerlaan. Mij viel daarbij op dat zij, hoewel ze elkaar niet allemaal gekend zullen hebben, vrijwel unaniem zijn in hun oordeel over hun vriend of echtgenoot. Het is een nogal kritisch oordeel.

Het begint al bij de eerste vriendinnen. Ada Kat, de allereerste, verwijt hem in een brief van 21 oktober 1947 dat hij met anderen over hun intieme relatie heeft gesproken. „Ik kan en wil niet langer doorgaan met deze comedie. Er is voor mij niets meer overgebleven, alles is leeg, en van jouw kant toneelspel gebleken. Zelfs onze lichamelijke verhouding is besproken geworden. O Harry, als je eens wist, hoe teleurgesteld ik ben.” Zij neemt al afscheid van hem, maar bedenkt zich later, waarna hun relatie nog enkele jaren duurt.

Rieks de Jonge, zijn derde grote liefde, met wie hij van 1954 tot 1957 een relatie heeft, formuleert in haar afscheidsbrief een fundamenteler bezwaar dat in allerlei getuigenissen van andere vrouwen zal terugkeren.

„Ik weet ook dat jouw liefde voor mij niet die is van een man, maar van een kind. Je hebt me alleen nodig, egoïstisch nodig, zoals een kind zijn moeder nodig heeft. Om te gebruiken, om alleen liefde en aandacht en begrijpen en vergeven en belangstelling en eerbied en bewondering van te krijgen – en daarvoor in ruil zo nu en dan eens iets liefs te doen, uit dankbaarheid en beloning, maar niet uit wezenlijke belangstelling en echte liefde voor de ander.”

Ineke Verwayen volgt haar op, haar relatie met Mulisch zal tien jaar – tot 1967 – duren. Vijftig jaar later zegt zij erover tegen Ammerlaan: „Of hij echt van vrouwen heeft gehouden, betwijfel ik. Tot diepe liefdesgevoelens was hij niet goed in staat. Hij is gelukkiger geweest in het gezelschap van mannen dan in dat van vrouwen. Vrouwen waren toch vooral bedoeld om mee naar bed te gaan, of als huishoudster.”

Met Sjoerdje Woudenberg zal hij in 1971 trouwen en twee dochters krijgen, maar het huwelijk kent tal van crises. In een dagboekje uit 1986 noteert Mulisch somber: „Zij is bereid bij mij te blijven en mij te verzorgen, maar ze wil niet meer met mij naar bed; ik mag naar bed met wie ik wil, maar niet meer met haar.”

Tegen Ammerlaan zegt Sjoerdje: „Harry wilde eigenlijk een negentiende-eeuwse vrouw. […] Hij was niet in staat tot een echte, op gelijkwaardigheid gebaseerde liefdesverhouding.”

Al eerder, toen ze nog niet getrouwd waren, was ze bij hem weggelopen, naar Parijs, maar hij spoorde haar daar op en overreedde haar terug te keren – op háár voorwaarden nog wel: een serieuze relatie, trouw en kinderen. „Hij was radeloos”, herinnert ze zich. Vrienden hadden hem huilend langs de gracht aangetroffen. Opeens is hij, ook voor de lezer, niet meer de ongenaakbare minnaar die hij leek. Het is een van de verrassingen die dit boek in petto heeft.

Zijn laatste partner is Kitty Saal, die hem een zoon zal schenken. Zij is de enige vrouw die zich niet kritisch over hem uitlaat, althans, in dit boek.

schrijft elke week een column.