Krantenbezorger

Ik ging de dochter halen bij de kinderopvang. Ze kwam aangekropen en wierp zich op de blauwe slofjes die je daar vanwege de hygiëne verplicht over je schoenen moet doen. De leidster met de tongpiercing kwam naar me toe om verslag uit te brengen.

„Hal-looo”, zei ze, „daar ben ik weer…”

Daarna: „U zult het vanmorgen wel koud gehad hebben…met de kranten…”

Ik wist eerst niet wat ze bedoelde, maar toen realiseerde ik me dat ik haar in een vorig praatje verteld had dat ik voor een krant werkte. Nu dacht ze dus dat ik kranten rondbracht. Ik vond het kennelijk nodig om dat recht te zetten en zei: „Hahaha, nou ik breng ze niet rond hoor.”

Er viel een wat ongemakkelijke stilte.

Ze pakte het logboekje van de dochter erbij en las voor dat ze anderhalf uur had geslapen en bruinebonenschotel had gegeten.

„Echt lekker gesmuld, staat hier.”

„Dat zullen we dan straks wel in de luier zien”, zei ik.

Even later gaf ze me een grote tekening, waaraan zes stukjes touw hingen. Het werd aangekondigd als ‘het eerste kunstwerk’ dat ze voor ons gemaakt hadden. Er waren ongetwijfeld ouders die van zo’n mededeling ontroerd raakten, maar ik trapte er niet in. Ze was één, ze sabbelde aan stiften. De leidster had het gemaakt, de dochter was hooguit betrokken geweest bij het in een klodder lijm drukken van de stukjes touw.

„Wat is het?” vroeg ik.

Antwoord: „Een insectenbeest, ik weet niet hoe die heten.”

„Een bacterie?” vroeg ik, want dat zou ik wel passend vinden. Sinds we de dochter naar de opvang brachten, was ik al vaker ziek geweest dan in de tien jaar daarvoor.

„Ja, het heerst”, zei de leidster met de tongpiercing. „Heel veel ouders hebben er last van.”

Ze gaf me het witte konijntje en de speen en zei dat ze binnenkort met z’n allen een schilderij van Mondriaan gingen maken en dat de ouders ook mee mochten doen.

„Gezellig samen kliederen.”

Ik nam de dochter mee naar buiten, waar ze het insectenbeest zelf in een prullenbak wilde gooien. Daarna ging het op de fiets naar Albert Heijn. Zij voorop, haar konijn stevig vast. Pas bij de kassa in Winkelcentrum Diemerplein kwam ik erachter dat de blauwe plastic slofjes nog om mijn schoenen zaten. Ik heb toen gezegd dat ik chirurg ben.

heeft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.