Recensie

Het wonder van knopen, trommels en thermosflessen

Foto Istock

‘De wereld spreekt voor zich, maar we luisteren niet’, schrijft Karl Ove Knausgard in zijn nieuwe boek Herfst in ‘Brief aan een ongeboren dochter’. Het is september 2015, de jongste dochter leeft nog veilig in de buik van haar moeder. Ze zal Heidi gaan heten. Vader Karl Ove schrijft haar brieven over de wereld waarvan ze straks deel zal uitmaken. Het zijn intieme, ontroerende en ogenschijnlijk eenvoudige brieven, maar het literaire raffinement is groot.

Deze Knausgard is een ander dan die we kennen van het zesdelige epos Mijn strijd. Niets van de unieke combinatie van bravoure en zelfkwelling, van de hitte van de jeugd en gefnuikte literaire ambities, maar een vaderlijke schrijver die zijn drie kinderen de weg in de wereld wil wijzen en hen wil begeleiden van de intimiteit van thuis naar buiten toe.

In Herfst toont Knausgard (1968) zich plaatstrouw: we komen niet verder dan zijn werkkamer, het woonhuis en de tuin waarin appelbomen bloeien.

Het boek is sensationeel omdat het zo onsensationeel is. De herfstmaanden september, oktober en november inspireren Knausgard tot zestig miniaturen over alledaagse voorwerpen als flessen, bedden, het wonder van knopen, thermosflessen, trommels, gezichten, schoorstenen en conservenblikken. Ook komen meer abstracte begrippen als eenzaamheid, dromen en vergiffenis aan de orde en poëtische zaken als schemering en ochtendgloren.

Elke miniatuur begint met een natuurobservatie en van daaruit meandert Knausgard naar treffende gedachten over de toekomst van zijn kinderen, in welke wereld zij komen te leven. Hij is bang dat hen iets zal overkomen, dat ze verongelukken. Hij leert hen met open ogen naar hun omgeving te kijken en zich niet op te sluiten in zichzelf, zoals de auteur zelf heeft gedaan. Wie de pijn van zijn persoonlijke leven uit Mijn strijd kent, begrijpt dat hij voor zijn kinderen het goede wil en hen omringt met zorgzame tederheid. Het is de poëtica van het familieleven met een vader, moeder en drie kinderen die hij beschrijft: ‘Dat zijn de relaties van waaruit je de wereld zult zien en die je mening over vrijwel alles zullen vormen, direct of indirect, in voor- en tegenspoed.’ In weemoedige passages overweegt Knausgard, die in Mijn strijd de dood van zijn eigen vader beschrijft, het lot van zijn kinderen als hij er niet meer zal zijn. Daarom biedt hij zijn kinderen alvast zijn mooiste beschutting: die van woorden.