Opinie

Cliteur deed erudiet, maar tructe erop los

Paul Cliteur getuigde als professor voor Wilders, maar zijn argumentatie is absurd, aldus .
Illustratie Stella Smienk

Donderdag was het de beurt aan de Leidse hoogleraar Paul Cliteur om te getuigen in het proces-Wilders. Zijn getuigenis werd over het algemeen lovend ontvangen in de media. Hier zou een erudiete en argumenterende expert aan het woord zijn. Maar wie het optreden nog eens bekijkt, ontdekt er vooral gekunsteld sofisme in.

De juridische beoordeling laat ik graag over aan de rechter. Maar de interventie van Cliteur is evenzeer een politiek pleidooi. En aangezien het debat over Wilders’ uitspraken evengoed in de media wordt gevoerd, is het belangrijk dat wij Cliteurs bijdrage ook hier kritisch wegen.

Centraal argument van Cliteur is dat Wilders’ gewraakte statement over ‘minder Marokkanen’ feitelijk een uitspraak over nationaliteit is, en niet over ras. Op zich een mooie vinding. Het probleem is natuurlijk dat rassen überhaupt niet bestaan, in biologische zin. Genetisch onderzoek heeft geen wetenschappelijke basis gevonden voor het bestaan van vastomlijnde rassen. Zo beargumenteerd kan er überhaupt geen sprake zijn van racisme in de wereld.

Ras is een sociale constructie, groepsidentiteiten waarmee historisch gezien de menselijke diversiteit werd geordend en hiërarchisch ingedeeld. Vandaag de dag gebruiken we veelal de term etniciteit, omdat dit minder de nadruk legt op 19de-eeuwse ideeën over ras als biologisch gegeven. Wat we bedoelen met discriminatie op basis van ras – racisme – gaat dus over etniciteit. En Marokkaanse Nederlanders hebben een etniciteit, we noemen ze niet voor niets een etnische minderheid.

Cliteur stelt dat „de meest wilde interpretaties worden gegeven” van Wilders’ uitspraken. Zo zouden „sommige mensen denken dat het een oproep is om mensen met een Marokkaanse identiteit uit Nederland te zetten”. Weer andere, even verwarde mensen blijkbaar, denken dat het gaat om discriminatie van Marokkaanse Nederlanders. Cliteur daarentegen interpreteert Wilders’ uitspraak als pleidooi voor minder immigratie en voor strengere selectiecriteria, op basis van nationaliteit. Aangezien het non-discriminatiebeginsel enkel het Nederlandse territorium betreft, zou het hier niet gaan om discriminatie.

Klinkt genuanceerd, maar het is niet hoe Wilders zelf zijn uitspraken uitlegde in een interview met Frits Wester. Daar verduidelijkte hij zijn voornemen door voor te stellen om, om te beginnen, „tienduizenden criminele Marokkanen het Nederlands paspoort af te pakken en ze morgen het land uit te knikkeren”. De stelling „minder Marokkanen” is dus allereerst een uitspraak over Marokkaanse Nederlanders. Dat is een wezenlijk andere positie dan een pleidooi voor selectievere immigratie. Het gaat hier in feite om een oproep tot gedwongen repatriatie.

Op basis van het voorgaande argument over nationaliteit stelt Cliteur vervolgens dat de uitspraak ‘minder Marokkanen’ te vergelijken is met de vraag of je minder Amerikanen of Maleisiërs wenst in Nederland. Een absurde redenering. In tegenstelling tot Marokkaanse Nederlanders zijn Amerikanen of Maleisiërs geen Nederlandse burgers met bijbehorende rechten. Je maakt geen inbreuk op grondrechten door Amerikanen minder visa te verlenen. Wel door Marokkaanse Nederlanders het land uit te zetten, waar Wilders herhaaldelijk voor heeft gepleit.

Het sterkste argument van Cliteur is te stellen dat Wilders’ uitspraken beter in de politieke arena bestreden kunnen worden dan in de rechtszaal. Dat vind ik ook. Maar onze wet begrenst de vrijheid van meningsuiting. En het is niet aan de rechter om de wetgeving te veranderen, dat is de taak van de wetgevende macht, zoals Cliteur zelf herhaaldelijk benadrukt. Echter, het betoog van Cliteur, zeker als hij Weber en Mill aanhaalt – en al helemaal wanneer hij de kwestie plaatst in de politieke context van internationaal terrorisme – is eerder een politiek dan juridisch pleidooi. Cliteur wil paradoxaal genoeg dat de rechter een politiek oordeel velt.

Ten slotte is er nog de discussie over het begrip verdraagzaamheid. Hier haalt Cliteur een simpel trucje uit. Het begrip wordt door de Hoge Raad gebruikt in relatie tot mensen. Cliteur heeft het over verdraagzaamheid in relatie tot opinies. Het ideaal van verdraagzaamheid, aldus Cliteur, is een zo ruim mogelijke vrijheid van meningsuiting, in de geest van Voltaire. Hij verbaast zich dan ook over het feit dat de Hoge Raad het begrip verdraagzaamheid gebruikt om de vrijheid van meningsuiting in te perken en noemt dit „orwelliaans taalgebruik”. Als we ervan uitgaan dat er verschillende vormen van verdraagzaamheid zijn die met elkaar in botsing kunnen komen, dan is dat geenszins het geval.

De rechter vroeg Cliteur hoe hij bij zijn interpretatie van Wilders’ woorden komt en zegt dat Wilders in de rechtszaal en in zijn programma duidelijk heeft laten weten dat zijn uitspraak Marokkaanse Nederlanders betreft. Cliteur reageerde dat hij uitgaat van „grammaticale interpretatietechniek”. De rechter concludeert op onderkoelde, beheerste wijze: „In die zin is het uw interpretatie van hoe u het heeft gelezen en hoe u het uitlegt en waarop u dan vervolgens ook voortredeneert in uw verslag.”

Dodelijk.

Merijn Oudenampsen is socioloog en politicoloog.