Alleen in je hoofd is niet eenzaam

Opinie Ook omringd door mensen kun je alleen zijn, schrijft Marjoleine de Vos. Dat is niet per se tragisch. „Ik ben in gezelschap van de schrijver en zijn zinnen.”

Foto Hollandse Hoogte

Op de redactiezaal is het druk. We zitten te werken, af en toe een klein gesprekje, soms even lol trappen of overleggen. Collegiaal. Saamhorig. Ik loop de trap af om een broodje te gaan halen en buiten ben ik meteen alleen. Niet echt natuurlijk, er zijn mensen genoeg, maar er is geen achtergrond meer, de collega’s spelen geen rol meer. Ik kom alleen terug, ga zitten en na vijf minuten hoor ik weer in het verband. Dat wil zeggen: zo op het oog. Want wat buiten evident was, gaat hier gewoon door.

Er zijn momenten dat je de afstand tussen jou en de wereld waar je wel degelijk deel van uitmaakt, heel duidelijk voelt, bijvoorbeeld als je zwemmend in zee terugkijkt naar het strand, of in een vliegtuig ondergaat hoe razendsnel je wegraakt van wat ze daar beneden doen. Jij hier. Zij daar. Zelfs al in mijn eigen tuin, als ik achterin ga zitten en uitkijk over het weiland, lijk ik ver weg van alles en bijkans de enige mens op aarde.

Men zegt graag dat je alleen bent als je sterft en dat is ongetwijfeld zo. Maar daarvoor ben je dat ook.

Hoe slagen we er ooit in om ons thuis te voelen als we zo alleen in ons hoofd zijn? Thuis zou je even bevrijd moeten zijn van dat gevoel van afgescheidenheid tussen jou en de wereld. In gezelschap van mensen met wie je heel vertrouwd bent, met wie je kunt praten alsof je samen een muziekstuk maakt (en dat hoeft niet per se een lieflijke melodie te zijn), met wie je gewoon in een ruimte kunt zijn zonder te hoeven zeggen wat je gaat doen als je even opstaat (‘een zakdoek halen’) voel je geen afstand. Maar ook van hen hoef je je maar een klein eindje te verwijderen, alleen maar om even buiten het tafelkleed uit te schudden, en het is weer zo.

Dat is niet tragisch. Geloof ik.

Alleen in je hoofd is niet hetzelfde als eenzaam. Ik loop de boekhandel binnen, koop een boek, ga aan een tafeltje zitten in het café met koffie en ik lees. De mensen om me heen verdwijnen, maar dat ze er zijn is wel gezellig. Ik lees Daedalea van Tomas Lieske, de verrukkelijkste bundel prozapoëzie die in jaren is verschenen. Het is een ‘stemmenspel voor acht klonkies’ zegt de ondertitel. Klonkies is Afrikaans voor kleurlingen, maar deze klonkies zijn Afrikaanse straatverkopers in Parijs. Ze hebben een soort aanbeden leider die op een dag dood is neergevallen en er op een andere dag ineens weer is. Jawel. Opgestaan uit de dood. „De verhalen over hem zweven door de luchten./ Dat hij als geen ander zijn goedlachse eieren/ achthoog de dakrand in kon gooien/ zonder de gebosseleerde schaal te breken.” Ik zit te lachen. Ik ben in gezelschap van de zinnen, de woorden, van de personages. Ik ben in gezelschap van de schrijver, ook al weet hij daar niets van.

Als ik weer naar buiten loop, klinken de klonkies in mijn hoofd. Ik denk aan de dode Keto Stiefcommando van wie ze zeiden dat ‘se doppie is geklapt’. Gezellig is het in mijn eigen doppie. En tegelijkertijd ben ik daar nu nog meer alleen – niemand om me heen heeft weet van deze wereld.

En ik niet van de hunne. Ze kijken in hun telefoontjes. Ze praten tegen elkaar. Ze lopen zwijgend voorbij. Met elkaar zijn we de stad. Maar niemand ziet wat ik zie: dat iemand zijn goedlachse eieren achthoog de dakrand in gooit.