Waarom gaat het cabinelicht uit bij de start en landing van een vliegtuig?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een vaak gestelde vraag. Vandaag: waarom gaat het licht uit bij start en landing van een vliegtuig?

Foto iStock

Het behoort tot de rituelen van vliegen in de schemering en het donker. Zodra het vliegtuig stijgt of daalt gaan de lichten uit en komen de passagiers in het donker te zitten. Waarom eigenlijk? „Als een voorzorgsmaatregel voor het geval de passagiers geëvacueerd moeten worden”, zegt luchtvaarttechnicus Joris Melkert van de TU Delft. Als een vliegtuig in de problemen komt, is dat meestal bij een start of landing. „Buiten, op het vliegveld, is alles verlicht. De passagiers kunnen dan van het donker naar het licht lopen.”

De passagiers moeten daarbij de aanwijzingen volgen van het personeel, dat naar buiten kijkt. „Om te zien welke kant veilig is, de kant waar bijvoorbeeld niet een motor in brand staat”, zegt Melkert: „Daarom moeten bij start en landing de luikjes voor de vliegramen altijd open worden geschoven.”

Je zou zeggen dat passagiers ook gewoon van een verlicht vliegtuig naar het verlichte vliegveld kunnen lopen, maar dat werkt niet zo. Bij een calamiteit wordt namelijk alles voor de veiligheid uitgeschakeld, ook de verlichting. De passagiers zitten dan in een klap in het donker. „Ze zien dan een tijdje niets, doordat je ogen aan het donker moeten wennen. Dat is gevaarlijk bij een evacuatie”, zegt Melkert. „Als je al een tijdje in het donker hebt gezeten, zijn je ogen aan het donker gewend.” De verlichte plek waar je naartoe moet, kun je dan makkelijk zien. Ben je eenmaal weer in het reddende licht, dan passen de ogen zich daaraan heel snel aan.

Hoe komt het dat ogen zo snel wennen aan licht en zo traag aan de duisternis? „De verklaring ligt in de manier waarop ons oog licht verwerkt”, zegt natuurkundige en oogexpert Tom van den Berg van het Nederlands Herseninstituut. In het netvlies van het oog zitten cellen die beelden omzetten in signalen naar de hersenen. Van deze ‘fotoreceptoren’ zijn er twee soorten: kegeltjes en staafjes. Kegeltjes zitten in het midden van het netvlies, werken bij voldoende licht en laten ons kleuren en details zien (zoals letters op een scherm). De staafjes zitten vooral aan de rand van het netvlies en laten ons in het donker zien. „De kegeltjes passen zich heel snel aan het licht aan, terwijl de staafjes zich heel traag aanpassen. Daarom kun je vrijwel meteen goed zien als in het donker het licht aangaat, terwijl dit veel langer duurt als in een donkere ruimte het licht uitgaat”, zegt Van den Berg. Het kan wel een kwartier duren voordat je in het donker kunt zien. Van den Berg: „Kijk maar eens wat er gebeurt als je in een donkere kast gaat zitten.”

Zo gezegd zo gedaan. In een helverlichte schoonmaakkast op de redactie staat een kast die met enige moeite van binnenuit kan worden dichtgetrokken. Eerst overheerst de totale duisternis. Dan is te zien hoe het licht onder de deur de witte streep op een schoen laat oplichten. Vervolgens worden de contouren van de schoen zichtbaar. Dan gebeurt er niks. Dan wordt geleidelijk een vierkante kast zichtbaar. En hé, hangt daar niet een vel papier aan de deur? Uiteindelijk is alles best goed te zien. Dat heeft 10 minuten geduurd.

Het kan sneller met een truc, zegt van den Berg: „Door voordat je het donker in gaat je ogen af te dekken met rode cellofaan.” Dat cellofaan houdt het zichtbare licht tegen, behalve het rode deel van het licht dat niet veel energie bevat. De staafjes die het blauwe en groene deel van het licht – het energierijke deel – opvangen, kunnen zo vast wennen aan het donker.

Het rode cellofaan zit zo om de bril. Eerst is er weinig te zien, maar dat went snel. Na een kwartier is het tijd voor de kast. Daar gaat de bril af en is alles inderdaad goed te zien. Meteen.

    • Karel Berkhout