Recensie

Requiem voor Bosch dat niet gedenkwaardig wordt

Het concertgebouworkest verdronk door de galm in de Sint-Janskathedraal volledig in omineus diepzeegesuis.

Archieffoto van het Koninklijk Concertgebouworkest. Foto Anne Dokter/Royal Concertgebouw Orchestra

“Jheronymus! Jheronymus Bosch!” schalt het vanaf de kansel door de imposante Sint-Jan. De schilder is zojuist gestorven en wordt beroepen in het vagevuur. Mag hij, die als geen ander de Hel verbeeldde, zelf wel naar de hemel?

Van het gebruikelijke ‘rust zacht’ was niet onmiddellijk sprake in het Requiem voor Jheronymus Bosch voor twee koren, groot orkest en solisten van KCO-huiscomponist Detlev Glanert. Aartsengel Michaël wierp Bosch alle zeven hoofdzonden voor de voeten, via uit het liederenboek Carmina Burana gelichte teksten. Glanert (1960), succesvol operacomponist, weet wel raad met zulk drama. Zijn idioom is harmonisch rijk en gelaagd, maar ook toegankelijk en vaak simpelweg mooi. De uitvoerders behoorden zonder uitzondering tot de eredivisie. Kortom: alle ingrediënten voor een gedenkwaardig Requiem. Dat het dat niet werd lag allereerst aan de imposante nagalm van de kathedraal. De teksten waren onverstaanbaar, en op een enkele prachtige solo na (althobo, viool) verdronk het orkest volledig in omineus diepzeegesuis, waarin geen detail viel te onderscheiden.

Is dat overmacht, of een misrekening van de componist? Het Fernchor zorgde voor subtiele intermezzi, in een transparant, losjes aan renaissancepolyfonie herinnerende stijl. Het motievenspel, de originele constructie, de ingetogen koordelen of het sopraan-alt-duet – er waren prikkelende momenten, maar ze maakten vooral nieuwsgierig naar wat er schuilging in die ongedifferentieerde, onheilszwangere klanknevel die de muziek voortdurend aan het oor onttrok.