Cultuur

Interview

Interview

Foto: Andreas Terlaak

Muziek is pas ‘lekker’ als ze meer dan drie akkoorden bevat

Mike Boddé Of je nou muziekanalfabeet bent of ingewijde, de 80 lievelingsmuziekstukken van pianist Mike Boddé bedienen iedereen: zijn keuze is excellent én eigenzinnig.

Hij woont in een rijtjeshuis bij Utrecht. Met een hond, een kat, een vrouw en twee mooie kinderen wier muziekinstrumenten naast zijn piano staan. Grappig, want je stelt je Mike Boddé gemakkelijker voor in een hoofdstedelijk appartement. Iets minder gewoons, in elk geval. Lang, schrijft hij in zijn nieuwe boek Lekkere stukken, dacht hij zelf ook dat hij eeuwig vrouwloos zou blijven. Nancy Wilsons Never will I marry koos hij als een van zijn 80 lievelingstukken. Maar het ging anders.

Boddé is wat je noemt een Sonderfall in het Nederlandse muziekleven. Een pianotalent dat na het conservatorium toch een andere richting op ging uit angst zichzelf, al levenslang lijdend aan oorsuizingen, musicerend tot waanzin te drijven. Dus werd het een studie Chinees in Leiden. Al bij het eerste college daar („Moderne Chinese taalvaardigheid I”) trof hij medestudent Thomas van Luyn, die „ook niet helemaal precies wist wat-ie daar deed” en evenmin genoot van dagenlang in de bibliotheek zitten. Dus gingen ze samen liedjes maken, steeds beter, later bekend geworden in de Mike en Thomas-show op televisie (2005-2010).

Boddés succes werd begin jaren negentig doorbroken door een zware, zeven jaar durende depressie. In 2010 publiceerde hij daarover een boek: Pil. „Daarin heb ik mijn ziel en zaligheid op tafel gelegd”, zegt hij. Dus toen uitgeverij Balans hem naar aanleiding van zijn omnivore muzikale optredens in tv-programma Podium Witteman vroeg of hij niet ook een muziekboek wilde maken, zei hij ja. „Lekkere stukken is zonder meer een persoonlijk boek”, zegt hij. „Het is een autobiografie in muziekstukken. Daarmee stel ik me naakt op, maar na Pil heb ik van een gevoel van kwetsbaarheid geen last meer.”

Vakkennis en laagdrempeligheid

Het unieke aan Lekkere stukken – de allermooiste muziek die ik ken is de mix van vakkennis en laagdrempeligheid. Boddé neemt de muziekgeschiedenis in zijn hand, roert erin met be- en verwondering en legt vervolgens in straattaal (en geestige terzijdes) uit waarom hij iets mooi vindt. Zijn smaak verraadt dat hij niet van de straat is. De gekozen stukken beslaan alle genres, maar eendagsvliegen zitten er niet bij. Boddés keuze bevat jazz-crooners, maar ook een zingende Braziliaanse magiër, een Ierse bard, véél Russische componisten en een snufje avant-garde.

Mike Boddé legt uit wat hem raakt in muziek. De tekst gaat verder na de video.

Zijn selectie verraadt een antenne voor originaliteit én melancholie. En voor een zekere mate van complexiteit. Zo zit er geen fado bij, want „die bestaat altijd maar uit drie akkoordjes, en daar knap ik finaal op af”. (Boddé wilde tijdens dit interview getutoyeerd worden, red.)

Die grote liefde voor muziek, had je die altijd al?

„Ja, mijn eerste herinnering bewaar ik aan mijn speeldoosje. Dat speelde London Bridge, en ik vond het prachtig. Op mijn vijfde raakte ik in de ban van Chopins Polonaise nr. 6 in As-groot, waarop ik probeerde door het huis te marcheren. De melodie heb ik toen met twee vingers uitgezocht op de piano. Waarop mijn vader me op pianoles heeft gedaan.

„Mijn eerste lerares Rie Kool was streng en gaf ook gehoortraining. Daar heb ik nog steeds profijt van. Ik weet wat ik hoor, en kan gemakkelijk van alles naspelen. Later ontdekte ik Rachmaninov, de preludes van Chopin, daarna The Beatles, Queen…”

Maar ‘Lekkere Stukken’ weerspiegelt ook de veertig jaar daarna. Hoe ontwikkelde je die ingewijd omnivore smaak?

„Op dit moment ben ik sterk afhankelijk van de tips van een groepje van dertig mensen die ik in de loop der jaren heb leren kennen, die me tippen, mijn tics kennen en me adviseren waarnaar ik moet luisteren en waarom. Maar het allerleukste is het als er een deur opengaat naar iets echt totaal nieuws.”

Zoals?

„Toen ik veertig was, ben ik alsnog compositie gaan studeren, bij Roderik de Man. Daarmee opende ik de deur naar de moderne gecomponeerde muziek. Voordien snapte ik daar niets van. Net als Mozart bezigde ik onbewust het adagium dat muziek moet behagen. Daar leerde ik inzien dat muziek, net als de beeldende kunst of literatuur, óók kan gaan over angst, of onrust.”

Foto: Andreas Terlaak

Foto: Andreas Terlaak

Hoe beïnvloedde dat je eigen muziek?

„In mijn liedjes en improvisaties tolde ik al veel te lang rond in een bepaald idioom. Ik betrapte me erop dat mijn handen altijd dezelfde akkoorden grepen. Dat vond ik zo storend dat het me bijna mijn liefde voor muziek had gekost. Die studie compositie heeft dat hersteld.”

En ‘Podium Witteman’? Daar ben je ook omringd door zeer verschillende musici?

„Ja, dat heeft zeker ook aan de recente verbreding van mijn smaak bijgedragen. Vorige week nog was er de Syrische zanger Gharib. Fascinerend. Ik snap niets van die muziek, maar het geweldige van muziek is nou juist dat je je niet in de theorie hoeft te verdiepen om ervan te kunnen genieten. ”

Van welke muziek hielden je ouders?

„Ze draaiden klassieke platen, pianomuziek. Mijn vader speelt zelf piano. Op zondagochtend speelde hij altijd vooroorlogse liedjes, die sfeer heeft me diep beïnvloed. In mijn tienerjaren gingen we een keer naar een concert van Ana-Maria Vera, ongeveer net zo oud als ik. Ja, als je zó goed moet zijn, dan kan ik beter wat anders gaan doen, dacht ik toen. Dat was het einde van mijn droom om klassiek pianist te worden.”

Je schrijft dat je muziek belangrijk vindt bij de selectie van vrienden of geliefden. Bij welke voorkeur zou je wegrennen?

„New Order! Platte jaren-80-pop met een depressieve inslag. Als je van rijke harmonieën en originele melodieën houdt, moet je daar niet zijn. Met het gros van de popmuziek van de laatste tijd ben ik ook niet blij, overigens. Het overgrote merendeel vind ik spectaculair clichématig, zowel in harmonie, melodie als tekst.

„Helaas schrijven popjournalisten daar zelden over. Die beschrijven doorgaans de buitenkant, de ‘stuwende bassen’ en zo. Dat zegt niks. Hoe dan ook: ik ben dolblij met ontdekkingen van bands en musici die ik wel echt goed vind, zoals Snarky Puppy, of Knower. Dat zijn verademingen.”

Heb je vrienden die niet van muziek houden?

„Ik heb één keer een vriendinnetje mee naar huis genomen dat op mijn moeders vraag naar haar muzikale smaak antwoordde ‘dat ze gewoon niet zo veel met muziek had’. Ze had ook geen cd’s, haha! Volstrekt onbevattelijk. Het is niks geworden tussen ons.”

Om haar, en anderen, te redden, biedt je boek tachtig stukken. Had je een specifieke lezer voor ogen?

„Totaal niet. Wat ik leuk zou vinden is als lezers mij mailen, in gesprek gaan.”

Het boek staat vol bon mots. Zoals: „Geen succes is vervelend. Veel succes is vervelend, en vooral vermoeiend. En te veel succes is al helemaal een ramp, want dan kun je niet meer gewoon over straat. De beste oplossing is totaal geen succes, en daarmee intens tevreden zijn.” Wat drijft je dan tot dit boek?

„In eerste instantie schrijf je voor jezelf. Om jezelf te raken, en aan het lachen te maken. Maar er zit natuurlijk een laag onder. IJdelheid, geldingsdrang. En die wordt natuurlijk gevoed door een diepgewortelde onzekerheid. Ik heb één vriendin die domweg gelukkig is zonder veel te willen of te hoeven van zichzelf. Daar kan ik jaloers op zijn. Wat meespeelt is dat ik een nakomertje ben, met zes oudere broers en zussen. De gesprekken aan tafel gingen over vakanties waar ik niet bij was. Dan leer je wel een verhaal te hebben.”

Over sterke verhalen gesproken: wie is Barrington Thurbridge?

„Zonder meer de meest mysterieuze componist die ik ken! Ondergesneeuwd in de Britse componistenscene, maar ten onrechte. Wat ik bewonder, is dat hij in afzondering toch zijn zin heeft doorgedreven, en staat voor een zeer autonoom oeuvre. Een woedende kluizenaar is hij. Dat vind ik aantrekkelijk. Vooral dat woedende.”

Dat doet me denken aan mijn favoriet uit het boek: de Braziliaanse magiër Hermeto Pascoal.

„Ja, die is geweldig. In mijn favoriete YouTube-fragment van hem staat hij in een beekje, omringd door mensen. Dat iemand zegt: jij moet de hele dag mijn muziek spelen. In dit beekje. Op mijn manier. Kijk, zó. Daar moet ik onbedaarlijk om lachen.”

Russische en Braziliaanse muziek zijn oververtegenwoordigd in de lijst.

„Braziliaanse muziek is een fetisj van me. Omdat het daar geaccepteerd is ongecontroleerd je emoties over het voetlicht te smijten. Dat wordt hier toch als onsmakelijk gezien, ik ben daardoor beïnvloed. Maar stiekem vind ik het heerlijk. In Brazilië is alles extreem. Veel eten, veel criminaliteit, veel sexy vrouwen. Althans, dat is mijn droom. Ik ben er nooit geweest.”

Dat kan mooi met de recette van het boek.

„Nee, daarmee ga ik wandelen. Naar de Eiffel, naar Rome of naar Santiago de Compostela. Cliché of niet, het lijkt me heerlijk. Ik ben al sinds het jaar 2000 heel hard aan het werk, over twee jaar word ik 50 en dan wil ik iets met een voettocht.”

Mijn muzikale helden zijn dood, de meeste van de jouwe leven nog. Wie zou je het liefst ontmoeten?

„Elis Regina of Silje Nergaard. Maar puur muzikaal ben ik een enorme fan van Herbie Hancock. Die te ontmoeten… ja…”

Leuk tv-format! Mikes Heldenreizen.

„Vind jij de omroep? Bij dezen. Niets liever.”

Mike Boddé, Lekkere stukken, de allermooiste muziek die ik ken, Uitgeverij Balans, € 17, 50.
Boddé is ook huispianist bij Podium Witteman, elke zondag 18.10 NPO2.

Beluister Boddés favoriete stukken op Spotify: