Hoe Washington Phillips zijn mysterieuze liedjes maakte

De vooroorlogse gospelzanger Washington Phillips was één groot mysterie. Zijn muziek klinkt nog steeds magisch.

©

Een manzarene. Zo heet het dus. Eindelijk weten we welk betoverend instrument gospelzanger Washington Phillips bespeelde op de zestien liedjes die bewaard bleven van zijn opnamesessies tussen 1927 en 1929. Met deze informatie bij de heruitgave van zijn liedjes, is een van de talrijke mysteries van de vooroorlogse blues en gospel opgelost.

Of, nou ja. De manzarene is een door de zanger verzonnen naam voor zijn zelfgemaakte instrument, maar nog altijd blijft het gissen hoe hij zo’n wonderlijk geluid uit de citerachtige snaren wist te krijgen. In combinatie met Phillips’ melodische, maar bijtend kritische gospelteksten, klinkt het als een speeldoosje uit de hemel.

Onduidelijke achtergrond

Zijn mysterieuze liedjes grepen bewonderaars als Ry Cooder en Mavis Staples al jaren geleden naar de strot en zijn opnames duiken regelmatig op in filmsoundtracks. Maar de precieze achtergrond van de liedjes was lang onduidelijk. Nu iets minder. Het blijkt niet aan moderne oren te liggen dat luisteraars de muziek als ‘buitenaards’ of ‘magisch’ omschrijven. Al in 1907 stond in een krantenartikel over Phillips’ spel de verzuchting ‘he plays all sorts of airs’.

0811CULtvPhillips2

Hoewel er onvermijdelijk ruis te horen is, klinkt Phillips helderder dan voorheen op het album van label From Dust to Digital. Absoluut hoogtepunt in zijn kleine oeuvre – en daarmee in de gehele vooroorlogse blues en gospel – is ‘Denomination Blues’ dat uit twee delen bestaat. Het klinkt onwerkelijk dat dit negentig jaar geleden werd opgenomen. Dus dit is geen Bob Dylan-imitator? Nee, eerder andersom. Geef het liedje aan een jonge singer-songwriter en een hit is geboren. Dat komt niet alleen door de perfecte structuur en melodie, maar ook door de opmerkelijk cynische tekst waarin hij zes verschillende kerkgenootschappen de maat neemt.

Babystapjes van de popmuziek

Zoals dat gaat bij dergelijke uitgaven is het historische verhaal minstens zo belangrijk als de liedjes zelf. Het gaat nu eenmaal om de babystapjes van de popmuziek, uit de periode dat New Yorkse scouts tijdelijk kamp opzetten in het zuiden van Amerika. In Texas in dit geval. Dus besteedt onderzoeker Michael Corcoran uitgebreid aandacht aan de foutieve informatie die decennialang de ronde deed.

Phillips’ levensverhaal blijkt te zijn verward met dat van een familielid. Dus stierf hij niet op 47-jarige leeftijd in een gekkenhuis, maar kwam de zingende predikant 74 jaar oud aan zijn einde door een val van de trap. De minutieuze ontrafeling van de mythes is ook meteen een minpunt aan Washington Phillips And His Manzarene Dreams; Corcorans details komen de leesbaarheid niet ten goede.

Naast de muzikant is de manzarene de hoofdpersoon van het verhaal. Jarenlang werd het aangehoord voor een dolceola, een zonderling toetseninstrument dat begin 1900 korte tijd werd gemaakt. Maar uit het krantenartikel uit de Teague Chronicle van november 1907 blijkt nu dat de negro in town, die ‘zo zwart als een schoppenboer’ was, geen toetsen bespeelde, maar snaren.

Er is een foto waarop Phillips twee instrumenten vasthoudt die op citers lijken. Die moeten de basis hebben gevormd voor zijn manzarene. Hoe een gospelzanger verknocht raakte aan zo’n vreemd, archaïsch instrument vertelt de geschiedenis niet. Nog mysterieuzer is de techniek die hij moet hebben ontwikkeld voor dat geluid. Verschillende muzikanten hebben het intensief geprobeerd, maar zo klinken zoals Phillips is een volle eeuw later nog niemand gelukt.