NRC checkt: ‘Doorstroom mbo naar hbo 15 procent lager’

Dit stelt het CDA. Ook gehandicapte jongeren gaan minder vaak naar het hoger onderwijs, zegt de partij.

Foto Robin van Lonkhuijsen/ANP

De aanleiding

De basisbeurs moet terug, vindt het CDA. De oppositiepartij pleitte op 11 oktober, een dag voor de presentatie van haar verkiezingsprogram, in een persbericht voor herstel van de situatie vóór het studiejaar 2015-2016. In dat studiejaar verving het huidige leenstelsel de oude basisbeurs.

Vooral jongeren voor wie het minder vanzelfsprekend is te gaan studeren, worden afgeschrikt door het leenstelsel, stelt het CDA. „De instroom daalde met 20 procent onder jongeren met een handicap. De doorstroom van mbo naar hbo nam met 15 procent af en ook onder eerstejaars van wie de ouders niet hadden gestudeerd zag 15 procent af van een studie”, staat in het persbericht. Wat bedoelt het CDA precies? En klopt het?

Waar is het op gebaseerd?

Allereerst: wat bedoelt het CDA? Bij alle drie de categorieën (jongeren met een handicap, doorstromers van mbo naar hbo en jongeren van wie de ouders niet hebben gestudeerd) gaat het om de gedaalde hoeveelheid jongeren die aan een studie in het hoger onderwijs begon, licht CDA-Tweede Kamerlid en onderwijswoordvoerder Michel Rog toe. Daarbij kijkt het CDA naar het verschil tussen de studiejaren 2015-2016 en 2014-2015.

De cijfers zijn gebaseerd op een Kamerbrief van minister Bussemaker (Onderwijs, PvdA) op 18 april, zegt Rog. De minister verwijst in deze brief voor de cijfers naar de Monitor Beleidsmaatregelen 2015-2016, een rapport dat het onderzoeksbureau ResearchNed maakte in opdracht van het ministerie.

En, klopt het?

De percentages die in het CDA-persbericht staan (20, 15 en 15 procent), staan noch in de Kamerbrief, noch in het rapport. Die heeft het CDA zelf berekend – en dit gebeurde nogal met de Franse slag. In de brief staan andere cijfers.

Ten eerste, het percentage van alle eerstejaars in het hoger onderwijs met een functiebeperking. Dit daalde van 23 naar 18. Ten tweede, het percentage mbo-gediplomeerden dat (alleen direct) doorstroomde naar het hbo. Dit daalde van 48 naar 41 procent. Ten derde, het percentage eerstejaars in het hoger onderwijs van wie beide ouders geen hoger onderwijs hebben genoten. Dit daalde van 43 naar 38.

Het CDA heeft berekend met hoeveel procent elk van deze percentages afnam. Om de mbo’ers als voorbeeld te nemen: het verschil tussen 41 procent en 48 procent is 7 procentpunt. En 7 is ongeveer 15 procent van 48. Vervolgens concludeert het CDA dat de instroom zélf met dit percentage afnam. Bij de andere twee groepen rekent het CDA precies zo.

Dat is niet zuiver. Voor het meten van veranderingen in de instroom van eerstejaars heb je gegevens over absolute aantallen studenten nodig. Die verschillen per studiejaar, zowel in totaal als per specifieke groep.

Absolute aantallen zijn beschikbaar voor de doorstroom van mbo naar hbo, zegt Anja van den Broek, wetenschappelijk directeur van ResearchNed. Op basis van deze data is de daling 12 procent en niet 15. Bij de andere twee groepen zijn steekproeven uitgevoerd. Hiervoor zijn absolute aantallen dus niet beschikbaar.

Ook in de woordkeus is het CDA niet precies. De „jongeren met een handicap” in het persbericht zijn in de studie van ResearchNed jongeren „met een functiebeperking”. Daar vallen, behalve lichamelijke beperkingen, ook onder meer dyslexie, ADHD en psychische klachten onder.

Conclusie

De cijfers kloppen niet. Het CDA berekende de percentages op basis van veranderingen in andere percentages. Dit is niet zuiver. Je kunt veranderingen in de instroom van studenten alleen meten op basis van absolute aantallen. Ook is de woordkeus van het CDA niet precies. We beoordelen de uitspraak als onwaar.