Column

Democraat in de bar

Voor een Amerikaan is schrijven over een tocht naar de Pine Barrens als voor een Nederlander over een reis naar Lapland – even desolaat en literair beladen. John McPhee schreef in 1967 een meesterwerk over deze troosteloze wildernis in New Jersey, vlakbij de grote steden New York en Philadelphia. Het gebied beslaat zo’n 4500 vierkante kilometer, een vijfde van de staat. Het enige dat groeit op de voedingsarme zandgronden zijn armetierige dwergnaaldbomen en blauwe bessen.

De spaarzame bevolking noemt zichzelf de Pineys, zowel een scheldwoord als geuzennaam. De gesloten gemeenschap heeft de naam eigenzinnig en asociaal te zijn. De meeste Amerikanen rijden met een grote boog om de Pine Barrens heen. Volgens de folklore waart er ook de New Jersey devil rond, een kangoeroeachtig gedrocht met het gezicht van een paard, het hoofd van een hond, vleugels als een vleermuis, hoorns en een staart.

Het gebied is beschermd verklaard, vanwege de orchideeën die er in het wild groeien en een zeldzame vleesetende plant. Maar ook omdat onder de zandgrond een enorm reservoir ligt dat de grote steden van water voorziet.

„Hillbilly country”, zei een vriend toen ik hem vertelde dat ik er heen ging. „Weet je zeker dat je daarheen wilt?”

Op een mooie herfstdag neem ik de afslag vanaf de snelweg. Vrijwel meteen beland ik op een zandweg tussen kale bomen. Er zijn geen borden of kilometerpalen. Ook mijn telefoon heeft geen verbinding meer. Ik ben verdwaald in het Lapland van New Jersey.

Rond lunchtijd bereik ik Chatswood, het centrum van de Pine Barrens. De stad lijkt verlaten. Langs de weg staan borden met Trump. Het enige restaurant is dichtgespijkerd. Een man in een pickup-truck stuurt me naar de lokale bar. „Ze hebben chili en goede whisky.”

Billy Boy’s Four Mile Tavern ligt naast een garage met een enkele benzinepomp. Binnen word ik nieuwsgierig aangekeken door de clientèle: een rossige vrouw van een jaar of zestig achter een pul bier, een man met een rode neus achter een glas whisky en een morsige veertiger die een fles Pineland Beer vasthoudt. Ik ben beland in een schilderij van Edward Hopper.

„Chili, graag”, zeg ik tegen het bleke meisje achter de bar.

Billy Boy, de lady wants chili”, roept ze naar de keuken.

Waar ik vandaan kom, wil de man met het flesje in de hand weten. Helemaal uit Holland, herhaalt hij hoofdschuddend. Hij is nog nooit uit de Pine Barrens geweest en is dat ook niet van plan. Ook de rossige vrouw is ‘op het zand’ geboren en getogen. Het paradijs, zegt ze.

Als plotseling op de televisie Hillary verschijnt, slaat de stemming om. Zo vlak voor de verkiezingen is de spanning om te snijden.

„Wat vinden jullie van haar?”, vraag ik.

„Uh, oh”, zegt het meisje bestraffend terwijl ze de chili voor me neerzet. „In een bar spreek je niet over politiek en geloof.”

„Je zult hier niemand vinden die voor Hillary is”, zegt de morsige man die een nieuw flesje bier bestelt. „Ze wil onze wapens afpakken.”

Hij klopt op zijn broekzak. „Je kunt hier geen moment zonder. Zeg, jij bent toch niet zo’n Democraat, hè?”

Op dat moment kijken alle bargasten indringend naar me. Ik neem een paar happen van mijn chili en verlaat haastig de bar. De morsige man roept me achterna: „Kijk maar uit voor de New Jersey devil!”