Commentaar

Britse rechter doet uitspraak Brexit met grote gevolgen

Waar een toevallige coalitie bestaande uit een private investeerder, een kapper en elders in de EU wonende, verontruste Britten al niet toe kan leiden. Zij spanden een zaak aan met als inzet de vraag of een besluit over een vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie kan worden genomen zonder de instemming van het parlement. Met de negatieve uitspraak van de Britse rechter hierover is alweer een verrassende fase bereikt in het even spectaculaire als verwoestende Brexit-drama.

Als het aan premier Theresa May had gelegen, zou zij uiterlijk in maart van het volgend jaar de zogeheten artikel 50-procedure in werking hebben gezet. Via dit artikel uit het Verdrag van Lissabon, het huishoudelijk reglement van de Europese Unie, worden de scheidingsonderhandelingen tussen het Verenigd Koninkrijk en de EU officieel in gang gezet. Op deze manier wilde May recht doen aan de uitslag van het raadplegend referendum van 23 juni in haar land. Een nipte meerderheid van de Britten sprak zich bij die gelegenheid uit voor een vertrek uit de Unie.

Nu heeft de rechter gezegd dat een dergelijk ingrijpend besluit niet kan worden genomen zonder dat het parlement is geconsulteerd. Voor zijn oordeel greep hij zelfs terug op uitspraken uit 1610 – het betreft hier nu eenmaal een land met gevoel voor traditie. Ervan uitgaande dat de uitspraak niet in hoger beroep wordt vernietigd is het praktische gevolg dat de Britse regering waarschijnlijk op een minder radicale breuk kan aansturen dan zij aanvankelijk van plan was.

De anti-Europa-stemming onder de meerderheid van de volksvertegenwoordigers is immers aanzienlijk minder groot dan bij het volk, dat dit voorjaar voor een vertrek uit de Unie stemde. Als het parlement de regering al het mandaat wil verstrekken om over een scheiding te gaan onderhandelen, zal dit niet zonder een schadebeperkende wensenlijst gepaard gaan. Een lijst die vervolgens ook bekend zal zijn bij de onderhandelaars van de Europese Unie. Het versterkt de positie van May in de onderhandelingen niet.

Een nog verstrekkender gevolg van de rechterlijke uitspraak is de principiële kant van de zaak. Daarbij draait het om de vraag wie het binnen de zorgvuldig opgebouwde staatkundige verhoudingen uiteindelijk voor het zeggen heeft. Is dat een kleine meerderheid van de voor een raadgevend referendum opgekomen kiezers bij wier uitspraak de regering zich automatisch aansluit? Of is dat de gekozen volksvertegenwoordiging? Gezien de bewegingen rondom het Oekraïne-referendum is dit ook een voor Nederland uiterst relevante discussie.