Column

Wanneer is het leven van een theatergroep voltooid?

Er komt nog één voorstelling, Hamlet, volgende week, maar dat is dan waarschijnlijk de laatste van de Haagse Toneelgroep De Appel. De groep kreeg al geen landelijke subsidie meer en verliest nu ook de subsidie van de gemeente. Zo eindigt een theatermarathon die 45 jaar duurde.

Dat is droevig, natuurlijk. Voor de spelers, voor dat mooie Appeltheater in Scheveningen, voor een vast en trouw publiek. Droevig ook omdat een bepaalde erfenis, een traditie, verdwijnt. Maar is het ook een artistiek gemis? Gek genoeg gaat de discussie nooit daarover. Terwijl dat toch de belangrijkste vraag zou moeten zijn. Verliest het Nederlands toneellandschap een unieke en onmisbare artistieke waarde als deze groep verdwijnt?

Dezelfde vraag zou hardop gesteld kunnen en moeten worden over Orkater en Dood Paard – door het uitblijven van subsidie van het Fonds Podiumkunsten beide in hun voortbestaan bedreigd, en ’t Barre Land en Maatschappij Discordia – die net als de vorige vierjarige periode geen subsidie krijgen.

Maar een inhoudelijk gesprek daarover blijft uit. De dominante toon bij het verdwijnen van gezelschappen is die van verontwaardiging en verdriet, schande of zonde. Het Fonds doet zelf een voorzichtige poging in de toelichting bij de subsidietoekenning. Zo schrijft het: „Gezelschappen die hun praktijk niet vernieuwen, worden op het gebied van zeggingskracht ingehaald door makers die dit wel doen.”

Vernieuwing van de eigen artistieke praktijk is een voorwaarde voor blijvende relevantie. Had De Appel die nog? Discordia? Orkater? Dood Paard?

Een voorzet. De erfenis van Discordia leeft voort in nieuwe, jonge makers en groepen. De Appel, ooit vernieuwer en rebel, werd een keurige club. En wat biedt Orkater nog, behalve een roemrucht verleden, een paar goeie makers en de functie van aanjager van talent? Achter de schermen, zoemt het van soortgelijke en nog veel scherpere geluiden. Maar voor de bühne is het enkel ach en wee.

Het landschap verandert, en dat is nodig, daar is iedereen het wel over eens. Dus moeten we ons óók afvragen: hoe lang heeft een theatergroep bestaansrecht? Ook binnen gezelschappen zelf zou daarover discussie moeten bestaan: wanneer is de taak volbracht? Het Werkteater, Globe en Baal bijvoorbeeld hieven zichzelf op, omdat ze inzagen dat het op was, klaar, en hun tijd voorbij. Wanneer is het leven van een theatergroep voltooid? Zeg het maar.

Herien Wensink is redacteur theater