Rutte over het geloof: voor 49 procent twijfel en voor 51 procent zeker weten

Mark Rutte hield zondagmorgen in de Duinzichtkerk in Den Haag de ‘Preek van de Leek’. Wat zei de liberale premier? ,,Twijfel leidt tot inzicht.’’

Minister-president Mark Rutte. Foto Jerry Lampen/ANP

Dames en heren buurtgenoten, beste mensen, of zoals de dominee het zegt: gemeente,

U begrijpt, vanwege mijn werk komt het zo heel af en toe wel eens voor dat ik in het openbaar moet spreken.
En negen van de tien keer eindig ik dan met ‘dank u wel’, uiteraard voor de aandacht, maar ook als signaal dat mijn verhaal klaar is.
Al dan niet tot grote opluchting van het publiek.
Dan weet u dat alvast voor straks.

Maar vandaag begin ik ook met dank je wel zeggen.
Dank voor de uitnodiging, dank dat ik hier op deze zondagmorgen de Preek van de Leek mag houden.
Want ik zeg u eerlijk: er gaan in de hectiek van alledag periodes voorbij waarin bezinning en reflectie er bij inschieten.
Toen ik ja zei, heb ik me gerealiseerd: preken is iets anders dan ‘zomaar’ spreken en de kansel is geen gewone katheder.
Deze plek maant tot bezinning op vragen die ik mijzelf normaal niet zo gemakkelijk stel.
Wat betekent de kerk, wat betekent het geloof voor mij persoonlijk?
En wat voor ons samen, als gemeente, als land, als samenleving?

Die vragen zijn voor de hand liggend, de antwoorden zijn dat veel minder.
Een tekst die mij hierbij houvast biedt, vond ik in het Matheusevangelie.
In de gelijkenis van de talenten die ik u net mocht voorlezen.
De eerste twee knechten werden beloond voor hun betrouwbaarheid.
Zij hadden met hun talenten als goed rentmeester verantwoordelijk gehandeld.
De derde, die dit naliet en zijn ene talent had begraven, werd gestraft.
Hij moest het huis verlaten.

Deze gelijkenis staat natuurlijk in de eerste plaats voor ons persoonlijk geloof en hoe dat tijdens ons leven continu inzet vraagt om het sterker te maken.
De eerste twee knechten komen daardoor dichter bij God.
De derde knecht, die niets doet, raakt door zijn handelen van God verwijderd.
Wie van ons kan met volle overtuiging zeggen dat hij of zij altijd de eerste of tweede knecht is, en nooit de derde?
Ik vermoed niemand en zo zet deze gelijkenis aan het denken over onze taak en opdracht in het leven.

Voor mij heeft dit verhaal inderdaad ook die bredere betekenis.
Om in de beeldspraak van de vergelijking te blijven: het geloof geeft ons als mensen en als samenleving een aantal talenten en het is onze verantwoordelijkheid hoe we daarmee omgaan.
Geloofstradities als persoonlijk en maatschappelijk kapitaal dus.
Als we daarmee woekeren in de goede zin van het woord, voegt dat waarde toe aan ons eigen leven en de samenleving als geheel.
Als we ze ongebruikt laten, verliezen we iets essentieels.

Maar laat ik mijn verhaal bij het begin beginnen.
Bij de vraag wat de kerk voor mij persoonlijk betekent.
Het antwoord op deze vraag, begint iets verderop, in Scheveningen.
Niets ten nadele van dit prachtige kerkgebouw, maar ‘dé kerk’ dat is voor mij de Badkapel aan de Parkweg.
Dat was de kerk die ik vaak aan de hand van mijn vader bezocht.
Ik ben geboren en getogen in Duttendel en mijn grootvader was ouderling in de Badkapel, zodoende.

Als nakomertje in een groot gezin heb ik mijn opa spijtig genoeg nooit gekend, maar ik herinner me nog levendig de kinderbijbel die hij ooit aan een van mijn broers cadeau had gedaan.
Het was een boek dat tot de verbeelding sprak, vol spannende verhalen en prachtige prenten.
Ik was vooral onder de indruk van die stoere Bijbelse vertelling over Simson en Delila.
Een exotisch drama dat alles in zich had om als kind bij weg te dromen: hartstocht, verraad, brute kracht en een rotsvast geloof dat uiteindelijk alles overwint.
Geweldig!
Het is tot op de dag van vandaag een van mijn favoriete Bijbelverhalen, maar dat komt ook door die die ontroerend mooie aria uit de opera van Saint-Saëns: ’Mon cœur s’ouvre à ta voix.’

Salomo worden leek mij als kind overigens ook wel wat.
Ik zag dat helemaal voor me: de hele dag wijze en rechtvaardige besluiten nemen en dan tegen de avond alleen maar mensen die je dankbaar zijn en tevreden naar huis gaan.
Je zou hier een vroege beroepskeuze in kunnen zien.
Want u ziet misschien ook meteen de parallel met de politiek en mijn huidige baan.
Alhoewel ik daar aan toe moet voegen dat ik de wijsheid van Salomo natuurlijk niet eens benader.
Ik denk zelf graag dat mijn jeugdige voorkeur voor het verhaal van Salomo werd ingegeven door de boodschap die mijn grootvader op het schutblad van die kinderbijbel schreef.
Het was feitelijk een opdracht van een diepgelovig man aan zijn kleinkinderen.
‘De vreze des Heren is het beginsel der wijsheid’, stond er, ontleend aan Psalmen 111, die we zojuist in de eerste lezing hoorden.

Met die vreze des Heren viel het in mijn keurig hervormde jeugd overigens mee.
Het geloof was er thuis altijd, maar op een vanzelfsprekende manier.
Het was licht, zonder dat het lichtvoetig werd.
Het was niet wettisch en kende weinig ge- en verboden.
De beklemming en de geslotenheid uit de boeken van schrijvers als Jan Siebelink en Maarten ’t Hart over hun jeugd herken ik totaal niet.
Ik herinner me vooral een gevoel van warmte en openheid.
Maar de Badkapel is dan ook geen gesloten bolwerk, geen kerk van hele noten en oudtestamentische voorschriften.
Integendeel.
Het is een plek die heel verschillende mensen met heel verschillende talenten en achtergronden samenbrengt.
De Scheveningse nettenboeter zit er naast het Kamerlid, de directeur van Shell naast de tramchauffeur, de ouderling naast de toevallige badgast.

En ook mijn ouders waren meer van de liefdevolle aanpak, zoals beschreven in 1 Korinthe 13.
Die tekst heb ik thuis vaak gehoord.
U kent de bekendste woorden: ‘En nu blijven geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.’

Ik had dus allerminst een zware schrijversjeugd en voelde nooit de behoefte om hard afstand te nemen van het geloof.
integendeel.
Het lijden en de wederopstanding van Christus staan voor de troost en de hoop die alles omvatten wat voor ons van belang is.
Dat geloof heb ik meegenomen in mijn volwassen leven, het hoort bij me.
En die vanzelfsprekende aanwezigheid uit mijn kindertijd is er dus eigenlijk nog steeds.
Ik omschrijf het vaak als: voor 49 procent twijfel en voor 51 procent een zeker weten.
Een instinctief zeker weten, dat bestaat naast het rationele weten.
Naast het verstand.
Het zijn twee parallelle sporen, zonder wissel ertussen.

Het is lastig om precies vast te pakken wat dit betekent in mijn dagelijks leven.
Maar hoe meer ik er de laatste weken over nadacht en hoe meer ik er woorden aan probeerde te geven, hoe meer ik tot deze overtuiging kwam: het geloof geeft context en reflectie.
En het besef dat er iets is, tijdloos en groter dan onszelf, geeft rust.
Dat vertrouwen relativeert op een geweldige manier alle hectiek en druktemakerij in het hier en nu.
Terwijl die actualiteit – ik kan dat niet ontkennen – ook heel belangrijk is.
Maar dat maakt de betekenis van de contramal alleen maar groter.

Voor mij is een kerkdienst een moment van vertraging en bezinning, dat helpt om scherper naar dingen te kijken.
Ook, of misschien wel vooral, naar mijzelf.
En dat kan natuurlijk nooit kwaad.
Mijn familie vindt dat overigens ook.

Ik realiseer me dat ik het geloof hiermee in theologisch opzicht tekort doe, omdat ik erover praat in iets te functionele termen.
Dat doet afbreuk aan het mystieke Godsbegrip en aan de bijzondere betekenis van de avondmaalsviering, of bij anderen: de eucharistie, het vrijdagmiddaggebed en de viering van Sabbat.
Maar misschien mag dat ook in een preek van een leek met een theologisch tekort.
Bovendien brengt het mij op een volgend punt: hoe het geloof en geloofstradities op een heel brede manier doorwerken in mensen én in de samenleving als geheel.
En hoe goed en waardevol dat is.

Ik beschouw mezelf als een kind van de Nederlandse protestants-christelijke cultuur.
En ik reken me rijk met het overdrachtelijke kapitaal, de talenten, die ik van daaruit heb meegekregen
Het is een cultuur van hard werken en verantwoordelijkheid nemen voor je eigen doen en laten.
Van niet opgeven als het even tegenzit.
En van gewoon op de kleine steentjes blijven lopen en jezelf niet groter maken dan een ander, omdat iedereen hetzelfde respect verdient.
Je kijkt niet op tegen de professor of de minister-president.
En je kijkt niet neer op de vuilnisman of de postbode.
‘Eenieder naar wat hij aankan’, zegt Mattheus, en dat betekent ook: eenieder verdient een gelijke waardering
Daar ben ik mee opgevoed.

Het is ook een cultuur van discussie en debat.
Van een actieve houding, zoals in de gelijkenis van de talenten.
Van niets op autoriteit aannemen, maar terug naar de bron, terug naar de Bijbel, en alles zelf onderzoeken.
Van gezag dat verdiend moet worden en steeds opnieuw getoetst.
En van staan voor je principes.
Eén Nederlander is een theoloog, twee Nederlanders is een kerk, drie is een kerkscheuring.
Er is in onze kerken een stevige traditie van taligheid, van redeneren, van overtuigen.
We zien dat terug in die voor buitenstaanders zo wonderlijke combinatie van groot plichtsbesef en een gezond gebrek aan automatische eerbied voor het gezag in ons land.
In de directheid en de openheid die hiermee gepaard gaan.
Als het erop aankomt, is de kerkenraad van Putten of Dirksland machtiger dan de generale synode.

Al deze tradities, al deze elementen, drukken hun stempel op wie we zijn, wat we doen en hoe we de dingen organiseren.
Freek de Jonge zei ooit in een interview:
‘Niets heeft betekenis, we geven er betekenis aan. De godsdienst kan je daar in trainen.
Als dat wegvalt worden we manipuleerbaar en robotesk in onze reacties.’
Ook dat klinkt in eerst instantie nogal instrumenteel.
Maar laat deze woorden even op u inwerken.
Wat De Jonge zegt is: het geloof geeft niet alleen betekenis.
Het werpt ook een dam op tegen het betekenisloze, dus tegen leegte en onverschilligheid.
Het maakt mensen weerbaar en zelfstandig, want niet-manipuleerbaar.
En misschien is dat wel waarom zoveel mensen, ook mensen die niet wekelijks een dienst bezoeken, op de grote momenten in het leven weer op zoek gaan naar de kerk van hun jeugd.
Op zoek naar zingeving en inspiratie.
De behoefte aan rituelen, aan ‘rites de passages’ op de belangrijke momenten in ons leven, zit ingebakken in ieder van ons.
De warmte en de saamhorigheid van de kerstavonddienst of de nachtmis.
De troost van een kerkelijke uitvaart.
We blijven daarop teruggrijpen.
Ze bieden houvast, vertrouwen én levensmoed.
Over maatschappelijk kapitaal gesproken.

Die inspiratie van en door het geloof zien we ook terug in de concrete betrokkenheid tussen mensen onderling.
Dat Nederland wereldkampioen vrijwilligerswerk is, dat we relatief gul zijn voor goede doelen, dat ons sociale vangnet internationaal zijn gelijke nauwelijks kent – het is allemaal niet goed denkbaar zonder daar de maatschappelijke rol van het geloof en de kerken bij te betrekken.
Het begrip ‘omzien naar elkaar’ is in ons land diepgeworteld.
Veel dieper dan de wetten en regelingen waarin we dat collectief geregeld hebben.
Denk nog even terug aan het droevige lot van die derde knecht uit de gelijkenis van de talenten.
Jezus zelf heeft ons voorgeleefd hoe het erop aankomt juist die mensen de hand te reiken, die hun plaats in de samenleving dreigen te verliezen.
Mensen voor wie in maatschappelijk opzicht de duisternis dreigt.
Ik hoorde laatst nog in een gesprek met een vertegenwoordiger van de kerk, hoe dat concreet wordt vertaald.
Hoe de diaconie dicht bij mensen staat en zonder rompslomp een helpende hand kan uitsteken naar hen die dat nodig hebben.
Nogmaals: over maatschappelijk kapitaal gesproken.

En dat kapitaal zit ook in het begrip verdraagzaamheid.
Daar hebben we vanuit ons verleden een bijzonder talent voor, gekregen via het geloof.
Verdraagzaamheid is een begrip waarvan de Bijbel doordesemd is, tegelijkertijd is religieuze onverdraagzaamheid natuurlijk een historisch gegeven.
Maar Nederland is altijd een land geweest van religieuze minderheden.
Vanaf de 16e eeuw, de tijd van de grote godsdienstoorlogen, bestonden verschillende denominaties naast elkaar.
Als u weer eens in Amsterdam bent, dan kan ik u een bezoek aan ‘Ons Lieve Heer op Solder‎’ van harte aanraden.
In die prachtig bewaard gebleven katholieke schuilkerk realiseer je je: zo zag gedogen eruit, zo zag religieuze tolerantie eruit, in de 17e en 18 eeuw.
En die tolerantie is gebleven.
Onze Grondwet is er zelfs op gebouwd.
Artikel 1 laat niets aan duidelijkheid te wensen over: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.’
Met andere woorden: in Nederland mag iedere vrouw en iedere man zich binnen de wet vrij en veilig weten.
Vrij om elk geloof aan te hangen.
Vrij om een politieke opvatting te hebben.
Maar bijvoorbeeld ook: vrij om letterlijk en figuurlijk hand in hand door het leven te gaan met iemand van hetzelfde geslacht, overal, in iedere buurt.

En er is verantwoordelijkheid.
De geloofstraditie waarin wij staan hecht aan het nemen van verantwoordelijkheid op heel veel verschillende manieren.
Dat wordt nergens beter en mooier verwoord dan in de tekst waarmee ik deze preek begon, de gelijkenis van de talenten.
In dat verhaal schuilt een opdracht aan ieder van ons om in het hier en nu onze talenten te ontwikkelen, voor onszelf en voor de samenleving.
Om het maatschappelijk kapitaal dat ons wordt aangereikt vanuit het geloof en de traditie goed te beheren.
Die verantwoordelijkheid om een bijdrage te leveren, voegt letterlijk waarde toe aan onze samenleving.

Beste mensen, ik heb gesproken over de basis waarop ik persoonlijk sta: het geloof van mijn jeugd.
Over de 51 procent zekerheid dat er meer is – en hoe dat rust geeft.
Over herinneringen en tradities die ik bewaar en koester.
Als talenten die mij in bewaring zijn gegeven, om ze goed te gebruiken.

Maar het geloof is ook een basis waarop we gezamenlijk staan.
Omdat geloofswaarden in de loop der tijd zijn uitgeroeid tot dragende gemeenschappelijke normen en waarden; misschien in geseculariseerde vorm, maar vaak nog zeer herkenbaar in hun religieuze herkomst.
Omzien naar elkaar, verdraagzaamheid en verantwoordelijkheid.
Het is maatschappelijk kapitaal, dat verplicht tot actief beheer.

Want die normen en waarden zijn geen vanzelfsprekend of rustig bezit.
Zeker niet in het hier en nu.
En juist daarom moeten we ze respecteren, onderhouden en uitdragen.
En er elkaar ook op aanspreken.
Niet om het oude te bewaren, als doel op zich.
Maar wel – om het met de apostel Paulus te zeggen – om het goede te behouden.
En dat is veel.

Er is ons persoonlijk leven en ons land heel veel om dankbaar voor te zijn en op verder te bouwen.
En het geloof en de kerken spelen daarin op verschillende niveaus een grote rol.
Voor ieder van ons persoonlijk en in het grote geheel.
Maar het geloof biedt geen kant-en-klare handleiding voor een perfect leven en een perfecte samenleving.

Laat ik daar afsluitend dit over zeggen.
Voor mij geldt als gelovige dat juist de twijfel betekenis geeft aan de zekerheid.
Dat hoort bij elkaar.
En ik probeer dat ook in mijn werk in praktijk te brengen.
Omdat twijfel tot inzicht leidt en helpt er elke dag opnieuw het beste van te maken.
En onze talenten maximaal te benutten.

En daarmee kom ik aan mijn afsluitende dank je wel.
Voor uw aandacht.
En voor het zelfonderzoek dat aan deze zondag vooraf ging.
Dank u wel.