Recensie

Een meisje verdwijnt in een duister sprookje

De achtjarige Grace wil detective worden. ‘Alles wat ik hoorde, schreef ik op. [...] Ik dacht dat er op een dag misschien wel iemand naar me toe zou komen met een mysterie, en dan zou ik het notitieboek openslaan en zouden alle aanwijzingen er al zijn.’

In zekere zin kun je De laatste dingen (het debuut van Jenny Offill, die in Nederland vorig jaar lof oogstte met haar tweede roman, Verbroken Beloftes) op die manier lezen: als een notitieboek, zonder vooropgezet plan dus. Als lezer speur je, samen met Grace, tussen alle anekdotes naar aanwijzingen, in een poging te reconstrueren wat er nou precies is gebeurd – en waarom.

Vanuit het perspectief van Grace maken we kennis met vader Jonathan, een nuchtere wetenschapper (en een beetje een slappe zak), en moeder Anna, een ornitoloog met een flink temperament en een nog grotere fantasie. Zo zegt ze vroeger spion te zijn geweest, vertelt ze dat er in het meer vlakbij hun huis een monster leeft en beweert ze dat de steden vol zitten met zombies, die alleen door middel van zout tot leven gewekt kunnen worden. (Anna draagt steevast een zakje zout bij zich.) Grace: ‘Soms probeerde ik te raden welke verhalen van mijn moeder waar waren en welke niet, maar ik had het meestal fout.’

Steeds vaker laat Anna zich leiden door bijgeloof en wanen, en hoe meer ze de realiteit uit het oog verliest, hoe symbiotischer de band wordt tussen moeder en dochter. Totdat Anna plotseling verdwijnt.

Tegenover de wat al te gretig ingezette motieven en metaforen (monsters, vogels, sterren, uitgestorven dieren en vooral licht en duisternis – het wemelt ervan), staat de originele, krachtige (en ook ontroerende) weergave van de belevingswereld van het hoofdpersonage. Grace is een nieuwsgierig, eigenzinnig kind dat vol optimisme omgaat met de ingrijpende gebeurtenissen waar het mee wordt geconfronteerd. Ze deed me denken aan de hoofdpersonen uit Extreem luid & ongelooflijk dichtbij van Jonathan Safran Foer en Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht van Mark Haddon, ook kinderen – maar de wereld van Grace wordt, meer dan bij Foer en Haddon, gedomineerd door het bovennatuurlijke. Juist doordat het zo’n caleidoscoop is van symbolen, laat De laatste dingen zich nog het best omschrijven als een sprookje. Een ‘duister’ sprookje, welteverstaan.

Op de laatste twee pagina’s doet Offill (1968) in een droomachtig tafereel zowel boek als personage nogal abrupt de das om. Het is niet de gehoopte catharsis, laat staan de verklaring voor de verdwijning van Anna (die zich overigens goed laat raden). De laatste dingen draait dan ook niet zozeer om het feitelijke mysterie rondom de moeder, maar veel meer om een universele zoektocht naar betekenis, wanneer de banaliteit van de willekeur wat al te onverdraaglijk wordt.