Cultuur

Interview

Interview

Marcel Wouda in zwembad de Tongelreep in Einhoven.

Foto Andreas Terlaak

Wat hij aanraakt verandert in goud

Interview Marcel Wouda

Na zijn successen in Rio is Marcel Wouda benoemd tot hoofdcoach van de Nederlandse zwemploeg. Een zwemdier dat alles wil weten.

Hij was de meest succesvolle coach tijdens de Olympische Spelen van Rio de Janeiro. Meer dan twee unieke gouden medailles, voor zijn marathonzwemmers Ferry Weertman en Sharon van Rouwendaal, had hij niet kunnen leveren. En toch kijkt Marcel Wouda (44) een kleine drie maanden later met gemengde gevoelens terug. Zijn ‘sprookje van de Copacabana’, waar hij twee dagen op rij kon juichen op het hete zand, stond in schril contrast met de prestaties van de rest van de zwemploeg, die het olympische bad verliet zonder ook maar één medaille. „Ik ben een zwemdier”, zegt Wouda. „Het is echt mijn passie. Dan doet het me pijn dat het zo eindigt voor een groep zwemmers, coaches en begeleiders die echt hun best hebben gedaan. Dat vind ik verdrietig.”

Marcel Wouda ten voeten uit. Sociaal. Gevoelig. Een oog voor alles en iedereen. Vorige week werd de 2,03 meter lange Brabander benoemd tot hoofdcoach van het zweminstituut in Eindhoven – en daarbij is hij nu ook eindverantwoordelijk voor het Nederlandse topzwemmen. Nee, alles gaat niet op de schop, na de teleurstellende resultaten in het Estádio Aquático Olímpico. „Het goud van Ferry Weertman kwam voort uit hetzelfde zwemprogramma als dat van de rest van de zwemploeg”, zegt Wouda in zijn analyse van ‘Rio’. „Hij zwom tijdens zijn trainingen in dezelfde baan.”

Hij wijt de grote verschillen aan andere oorzaken. „Mijn conclusie is dat het openwaterprogramma vier jaar lang stabiel is geweest in de samenstelling, met Sharon, Ferry en Marcel Schouten, de begeleidingsstaf. Er was vier jaar rust. Dat hebben we gemist bij de zwembadgroep. Er waren veel trainerswisselingen, de groepssamenstelling in Eindhoven en Amsterdam veranderde regelmatig. Er was geen rust. Dat kwam in Rio allemaal bij elkaar. Dat is nu het belangrijkste voor mij: dat er rust en stabiliteit komt.”

Foto Andreas Terlaak

Foto Andreas Terlaak

Rampzalige voorbereiding

De voorbereiding op de Spelen verliep rampzalig, met het vertrek van technisch directeur Joop Alberda vlak voor de reis naar Rio. Een langdurend conflict met teammanager Aad van Groningen ging daar aan vooraf. In het appartement van de zwemmers in het olympisch dorp in Rio kon Wouda de spanning voelen. „Ik heb mij met de openwaterzwemmers heel bewust afzijdig gehouden. Wij zaten op de derde verdieping, de zwembadploeg op de twaalfde. Ik moest een keer op hun etage zijn, maar je voelde het overal. De coaches waren stil, bedrukt, echt anders dan ze normaal waren. Ik ging weg en dacht: daar moet ik niet zijn.” Om dezelfde reden meed hij het zwembad. „Heel bewust, ja, al had ik graag wat van die wedstrijden gezien. Dat is een feest op de Spelen. Maar wij hadden met de openwaterzwemmers een goede vibe, dat wilde ik houden. Alles wat een bedreiging was hield ik buiten.”

Wouda is wars van elke vorm van borstklopperij, maar zijn benoeming tot hoofdcoach van de zwemmers is een erkenning van het indrukwekkende oeuvre dat hij de afgelopen decennia in relatieve stilte opbouwde als zwemmer en als coach. Mede dankzij zijn beulswerk in de jaren negentig werd de weg geplaveid voor de gouden generatie van Jacco Verhaeren, met Pieter van den Hoogenband, Inge de Bruijn, later Ranomi Kromowidjojo en de Golden Girls. Maar toen Wouda begon, eind jaren tachtig, was er geen enkele topsportstructuur in Nederland, laat staan een hypermodern zwemlaboratorium als Eindhoven nu heeft.

Kenmerkend waren de Spelen van 1992 in Barcelona, waar hij als jonkie van twintig de enige man was in de Nederlandse zwemploeg. Het was de laatste keer dat Nederland zonder zwembadmedailles terugkeerde – tot Rio.

„Ik was pionier”, zegt Wouda. „Jacco liep nog stage als coach. De Nederlanders trainden gewoon veel minder dan de rest van de wereld. Als zwemmer had je in Nederland geen inkomsten, dus ik moest een opleiding doen, voor later. Ik zat op school in Venlo, maar ik trainde in vier, vijf verschillende zwembaden in Eindhoven, Venlo, Nijmegen, in Uden. Ik reed duizend kilometer per week. Dat ging uiteindelijk niet met mijn opleiding.”

Foto Andreas Terlaak

Foto Andreas Terlaak

Wereldtitel in Perth

Wouda verhuisde naar Michigan in de Verenigde Staten omdat het daar „beter geregeld” was voor sporters. En zijn ijzeren wil om de wereldtop te halen werd beloond met een wereldtitel op de 200 meter wisselslag in Perth, in 1998. Nog altijd is hij de enige Nederlandse man die goud won op een WK langebaan. Ook Van den Hoogenband lukte dat nooit. Wouda: „Dat was heel bijzonder, maar dat besef kwam pas veel later, toen ik coach werd. Destijds vond ik het niet zo bijzonder omdat ik daar al die jaren mee bezig was geweest. Ik had het in mijn hoofd al beleefd.”

Als coach begeleidde hij een hele waaier aan zwemmers, maar vooral de diesels van het open water vallen op, met Maarten van der Weijden, de verrassende olympisch kampioen van Beijing (2008), Europees en wereldkampioene Linsy Heister, en nu dus het gouden duo van Rio, Weertman en Van Rouwendaal.

Maar vragen naar het geheim levert een teleurstellend antwoord op. „Buitenlandse coaches willen heel graag weten wat wij doen. Maar er is niet echt een geheim. Als wij in Nederland ergens talent voor hebben, ook op sprintnummers, dan halen we alles uit de kast om het onderwerp uit te diepen. We brengen mensen bij elkaar. Ik geloof niet in toeval.”

Dat is de passie van het zwemdier Wouda. Alles uitzoeken. Alles willen weten. „Ik heb ook geen speciale liefde voor het open water. Ik vind het mooi om een zwemmer naar succes te brengen. Of dat nou tien kilometer in open water is, of de 50 schoolslag, het proces is hetzelfde. Daar zit mijn liefde voor de sport.”

Details, daar draait het om. Neem Maarten van der Weijden, die genas van kanker en in Beijing de allereerste olympisch kampioen werd op de zwemmarathon. En zet hem af tegen Weertman. Twee olympisch kampioenen met een zwemprogramma en een raceplan van Wouda, met acht jaar ertussen. „Ik heb een heel duidelijke visie over de manier waarop zij hun race moeten zwemmen”, zegt Wouda. „Dat raceplan vertaal ik naar hun dagelijkse trainingen. In de finale moet je mee kunnen, je eindschot moet sterk genoeg zijn om het af te maken.”

Van der Weijden werd bekend als de man die voor zijn legendarische race op voorspraak van Wouda maandenlang in een tentje bivakkeerde, om ‘hoogte’ te simuleren en de aanmaak van rode bloedcellen te stimuleren. „Maarten was niet extreem snel, maar hij was wel de sterkste zwemmer op de laatste kilometer.”

Met Weertman pakte Wouda het anders aan: hij maakte van hem een marathonzwemmer met een superieure eindsprint op de laatste vijftig meter, na 9.950 meter wedstrijd. „Ferry hoefde nooit in zo’n tentje, hij heeft zo’n enorm sterke motor, een stuk meer inhoud dan Maarten destijds. Gemiddeld zwom Maarten zo’n 75 kilometer per week, met uitschieters naar 115 kilometer. Ferry zwemt 60 tot 65 kilometer per week.”

Foto Andreas Terlaak

Foto Andreas Terlaak

Uitzonderlijke klasse van Weertman

En zijn eindsprint was cruciaal, wist Wouda, die in de weken voor Rio zelf een finishbord timmerde om het aantikken te kunnen trainen. Dat soort details dus. „Maar wat Ferry in Rio liet zien was van uitzonderlijke klasse. Op de laatste vijftig meter maakte hij bijna drie meter goed op de koploper uit Griekenland. Dat is zo’n vijf, zes procent meer snelheid dan de rest van de wereldtop. Dat is een bijzonder groot verschil. Maar daar hebben we ook jaren aan gewerkt, elke dag.”

Zo wil Wouda ook bij de zwembadzwemmers het verschil gaan maken. Gebruik maken van de infrastructuur die is opgebouwd, met de twee topsportcentra in Eindhoven en Amsterdam en vier regionale centra voor de topjeugd. „Die teams gaan beter samenwerken, kennis delen. Dat kan echt beter. Maar er moet vooral rust komen. We kijken kritisch wat er in Rio is gebeurd en we zullen het schip een beetje bijsturen. Maar we gaan niet ineens alles omgooien vanwege één slecht toernooi. Er zijn ook goede prestaties geleverd, zoals op de EK in Londen, begin dit jaar.”

Verder is Wouda niet al te somber over de ontwikkelingen, ook niet bij de jeugd. „Nederland presteert elk jaar beter op de Europese Jeugdspelen. Ik denk dat we de komende vier jaar de eerste effecten zien, met talenten als Marrit Steenbergen, Maarten Brzoskowski, Kyle Stolk, Esmee Vermeulen, Robin Neumann, Imani de Jong. Er zijn er meer. Ik vind wel dat we op meer disciplines dan alleen de borstcrawl actief moeten worden, dat is voor zwemmers de makkelijkste weg naar de internationale wedstrijden, via de estafette. Dat kan een reden zijn dat je de andere slagen weinig ziet in Nederland. Dat gaat mij aan het hart, als wisselslagzwemmer. Wij moeten investeren in de kennis van schoolslag, vlinderslag en rugslag. Van borstcrawl weten we heel veel, op wereldniveau, maar we komen kennis te kort op andere slagen. Daar ben ik wel mee bezig, ja.”

Het succes van Wouda is in het buitenland niet onopgemerkt gebleven. De laatste jaren was er vaker belangstelling, begin dit jaar werd „een land met grote potentie” zelfs concreet. Wouda had een gesprek, maar koos er toch voor ook na Rio in Nederland te blijven. „Ik zeg niet welk land dat was, dat heeft geen zin. Ik twijfelde over wat ik wilde. Toen hadden we in april van dit jaar de Swim Cup in Eindhoven. Na afloop fietste ik door de Genneper Parken, en toen wist ik ineens: ik ben nog niet klaar hier. Ik heb zo’n mooie, unieke groep zwemmers. Ik heb nog voldoende uitdaging. Ik wil dat nog niet loslaten.”