Cultuur

Interview

Interview

Als jonge student, altijd onberispelijk gekleed, bracht

Foto Frank Ruiter

‘Vluchtelingen helpen sprak volstrekt vanzelf’

Interview Willy Hijmans

(95) is een van de laatste nog levende koeriers van het netwerk Dutch-Paris, dat mensen tijdens de Duitse bezetting hielp vluchten. Zijn verhaal wordt verteld in Gewone Helden, dat deze week verscheen. „Het is belangrijk dat mensen weten wat er gebeurd is. Dat het zinvol was.”

‘Soms moet je geluk hebben, en dat moet je gebruiken”, zegt Willy Hijmans zachtjes. De oorlogsjaren liggen al meer dan zeventig jaar achter hem, maar ze zijn nog geen dag uit zijn gedachten geweest. Vaak was het geluk aan zijn kant; als koerier glipte hij verschillende keren door de handen van de bezetter. Maar soms liet het hem ook in de steek. Zoals op die dag in 1945 toen een Duitse afzwaaier op zijn ouderlijk huis terechtkwam. De V2-raket, afgeschoten vanuit de duinen bij Wassenaar, had Engeland moeten treffen, maar plofte in plaats daarvan neer op de Haagse Archipelbuurt. Willy raakte ernstig gewond aan zijn gezicht en verloor een oog. Zijn oudere broer Dolf liep een ernstige beschadiging van zijn gehoor op. Moeder Hijmans, die op het moment van de inslag in de opening van de voordeur stond, had niks. Verder was er niemand van het Haagse doktersgezin thuis geweest.

Geluk had hij wel toen er die inval was geweest bij een verzetsgroep van medestudenten. Ze werden allemaal opgepakt. Hijmans was net vertrokken. Of die keer aan de grens tussen België en Nederland, toen hij werd gefouilleerd terwijl hij documenten bij zich had. „Soms moet je geluk hebben, en dat moet je gebruiken”, herhaalt hij. Het klinkt als een plicht, ook nu nog.

Hijmans (95), oud- hoogleraar interne geneeskunde in Leiden, is een van de laatste nog levende koeriers van het netwerk Dutch-Paris, dat vanaf 1942 mensen hielp vluchten voor de Duitsers. In totaal waren zo’n 300 mensen bij het netwerk betrokken, in Nederland, België, Frankrijk en Zwitserland.

Langs twee routes – via de Haute Savoie naar Zwitserland en via de Pyreneeën naar Spanje – brachten zij minstens 1.500 Joodse vluchtelingen, Engelandvaarders die uit bezet gebied vluchtten om zich aan te sluiten bij de geallieerde strijdkrachten in Engeland, en geallieerde piloten in veiligheid. Nog eens 1.500 onderduikers werden materieel geholpen door het netwerk, dat was opgericht door de in Brussel geboren Nederlander Jean Weidner. Er gingen ook documenten op en neer: informatie van het Nederlandse verzet aan de regering in ballingschap in Londen, en instructies aan het verzet de andere kant op.

Deze week verschijnt het boek Gewone Helden, waarin het verhaal van Dutch-Paris tot in detail wordt beschreven. Het is geschreven door de Amerikaanse Megan Koreman, die jarenlang archieven heeft uitgeplozen om het hele netwerk in kaart te brengen. Voor Hijmans, die als jonge student bij het netwerk betrokken raakte, voelt het als een afronding. „Dit verhaal moest een keer opgeschreven worden, het is belangrijk dat mensen weten wat er gebeurd is. Wie wat gedaan heeft. Dat het zinvol was.”

De basis van Dutch-Paris werd gelegd aan de Frans-Zwitserse grens toen Jean Weidner in 1942 voor het eerst Joodse vluchtelingen over de grens hielp. Weidner had een textielbedrijfje in Lyon, wat hem bewegingsvrijheid gaf. Als zakenman kon hij betrekkelijk gemakkelijk reizen door Vichy-Frankrijk, het deel van Frankrijk dat niet direct door de Duitsers bezet was. Maar ook naar Parijs, dat wel bezet was, en België. Weidner (geboren in 1912) kwam uit een gezin van zevendedagsadventisten en vond het zijn christelijke plicht om mensen in nood te helpen.

Foto Frank Ruiter

Foto Frank Ruiter

Naarmate de jacht op Joden intensiveerde, groeide de ontsnappingslijn steeds verder in noordelijke richting, en via Toulouse richting Spanje. Het werd een aaneenschakeling van koeriers, veilige adressen onderweg en passeurs die vluchtelingen over de grens hielpen. Weidner slaagde er ook in om geldstromen los te krijgen om de betrokkenen van eten en drinken te voorzien – ook op onderduikadressen onderweg.

Nog een keer goed vertellen

Hijmans raakte in 1943 vanuit Nederland betrokken bij Dutch-Paris, vertelt hij. We zitten in zijn woonkamer in Aerdenhout. Op tafel liggen boeken en krantenknipsels over het verzet. Hijmans wil zijn verhaal nog één keer goed vertellen. De oorlogsjaren zijn bepalend geweest voor zijn leven. Zijn hoofd zit vol herinneringen, maar hij kan er niet altijd meer goed bij. Soms moet de 95-jarige diep graven om dan ineens met een kloek ‘jawel’ de draad op te pakken. Bijvoorbeeld over de eerste keer dat hij de tocht maakte naar Brussel.

Een vriend van een vriend, een zakenman met een bedrijf in Antwerpen, liet hem de route zien. In Zuid-Limburg staken ze illegaal de grens over. Hijmans had twee (valse) identiteitsbewijzen bij zich, een Nederlands en een Belgisch. Die moesten bij de overgang gewisseld worden, zodat hij de Belgische autoriteiten het juiste kon voorleggen als ernaar gevraagd zou worden. Het ene zat in de borstzak, het ander verder weggeborgen. Maar Hijmans was zó zenuwachtig dat hij de papieren bij het wisselen in het heuvelachtige grensgebied in het donker uit zijn hand liet vallen. Paniek. Waar waren ze gebleven? Alles dreigde mis te lopen, maar op het laatst wist hij de gevallen papieren terug te vinden en in zijn zak te stoppen. Een beginnersfout die hij nooit meer zou maken.

In Brussel kwam Hijmans in contact met Dutch-Paris. Later zou hij ook Weidner zelf ontmoeten. Ze spraken over wat Hijmans moest doen, Weidner gaf hem een stapel Franse franken mee – „nogal veel” – en stuurde hem door naar Zwitserland. Om mensen te spreken en de route verder te ontwikkelen. „Het was merkwaardig hoe vanzelfsprekend Weidner dat deed”, zegt Hijmans als hij terugdenkt aan dat moment. Er was meteen onderling vertrouwen.

Vijf keer heeft Hijmans vluchtelingen, soms hele gezinnen, en geheime documenten langs de illegale ontsnappingslijn vervoerd. Altijd eerst naar Brussel, en vandaar naar Parijs en soms helemaal naar Zwitserland. Meestal stak hij de grens over bij Bergen op Zoom, soms ook in Zuid-Limburg. De jonge student die zich altijd onberispelijk kleedde om niet op te vallen, had soms mensen bij zich en vaak ook inlichtingen, verstopt in vulpotloden. Hij grijnst als hij uitlegt hoe dat in zijn werk ging. „Een Scheveningse arts die wij ‘de bijenman’ noemden omdat hij ook bijen hield, had uitgevonden dat je filmpjes waarop documenten waren gefotografeerd heel dun kon maken door met aceton het celluloid eraf te weken. De informatie bleef erop staan, maar je kon ze dan heel dun oprollen.” Op een gegeven moment was de techniek zover ontwikkeld dat de pennen waar de filmpjes in zaten opgerold, nog konden schrijven ook.

Een pak boter

Die keer dat hij aan de Belgische grens werd aangehouden omdat hij een pak boter bij zich had, droeg hij niet alleen pennen bij zich, maar ook documenten, op de buik gebonden. Hij had de boter niet willen meenemen, dat zou alleen maar extra risico betekenen. Maar een contact in Brussel drong aan omdat zijn vader ziek was en geopereerd moest worden. Achteraf bleek het zijn redding. Omdat de grenswachten dachten dat ze met een smokkelaar van doen hadden, fouilleerden ze hem slechts vluchtig.

Hijmans gaat staan en doet voor hoe de hand van de douanier bij het fouilleren over zijn buik bewoog en wat hij daarbij dacht. De spanning is bijna driekwart eeuw later nog steeds van zijn gezicht te lezen. „Nu zit hij er vlak boven, nu zit hij bovenop de documenten, nu is hij er voorbij. Pfff, opluchting!” Uiteindelijk kreeg hij alleen een boete van twee gulden. „Ik heb het betalingsbewijs nog ergens liggen.” Paniek voelde hij allang niet meer, zegt hij over de emoties van zulke momenten. „Je koelt af.”

Hijmans was een van de velen in het enorme netwerk van Weidner. Naarmate het netwerk groeide werd het ook kwetsbaarder. Begin 1944 ging het mis. Een koerierster sloeg door in Parijs nadat ze was betrapt met een lijst met de namen van medewerkers. Van de 300 mensen die bij het netwerk betrokken waren, werden er 150 opgepakt. Veertig van hen vonden de dood. Toch bleef een deel van Dutch-Paris ook daarna nog functioneren.

Hijmans was te verstaan gegeven dat hij niet meer naar Brussel moest reizen. Hij zou Weidner en de anderen pas weer na de oorlog zien. In Nederland bleef hij actief in het verzet tot januari 1945, toen de afgezwaaide V-2-raket op zijn huis viel.

Foto Frank Ruiter

Foto Frank Ruiter

Waarom komt de een wel terecht in het verzet en de ander niet? Vluchtelingen helpen was volstrekt vanzelfsprekend in zijn gezin, vertelt Hijmans. Zijn ouders hadden elkaar ontmoet in een krijgsgevangenenkamp in Oostenrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog. De Nederlands Joodse arts Mortier Hijmans was daar op verzoek van het Rode Kruis om gevangenen te verzorgen. Moeder Hijmans was een katholieke Oostenrijkse, die net haar eindexamen had gedaan. Zij hielp in de verpleging op het kamp. Na hun huwelijk gingen ze in Den Haag wonen.

Hijmans ging in 1939 in Leiden geneeskunde studeren en werd lid van het corps. Hij was toen net 18 jaar oud. Op foto’s uit die tijd is een vrolijke jaarclub te zien met lachende jongens in smoking die uitdagend het glas heffen.

Een jaar later is het oorlog. Als de Joodse hoogleraar Meijers door de Duitsers wordt ontslagen, komt de Leidse universiteit in opstand. Op 26 november houdt professor Cleveringa zijn beroemde protestrede. Hijmans is daar niet bij. Hij gaat die dag naar het laatste college van zijn eigen leermeester, Barge, hoogleraar anatomie. „Dat was zoiets fantastisch [Hijmans staat op en imiteert zijn oude prof] „het leek wel een toneelstuk. Barge had over ieder woord nagedacht. Twee minuten voor het einde van het college wees hij op twee poppen die al die tijd op de tafel hadden gestaan. De poppen hadden Duitse uniformen aan. ‘Kijk’, zei Barge, ‘ze dragen korte jasjes en lage laarzen, daardoor lijken ze langer, maar ze zijn het niet!’”

De universiteit van Leiden ging kort daarna dicht, Hijmans zette zijn studie geneeskunde voort in Amsterdam en raakte betrokken bij de illegaliteit. Op de vraag of hij nog vaak aan de poppen van Barge heeft teruggedacht, volgt een lange stilte. In gedachten ziet hij zijn prof weer achter de tafel staan, ruim driekwart eeuw later is hij nog steeds onder de indruk. Dan klinkt het opnieuw glashelder en kordaat: „Jawel.”