Recensie

Te waar om mooi te zijn

Verweylezing

In 1985 stelde Gerard Reve in de eerste Verweylezing dat echt gebeurd geen excuus is. 31 jaar later verdedigt schrijver Frank Westerman de feitenliteratuur met een repliek aan Reve: ‘Arme, arme fictieschrijvers.’

In Vlissingen huist het Zeewezen. Nietsvermoedend ben ik daar een keer aan voorbij gelopen. Ik volgde het pad over de sluisdeuren, langs het Arsenaal. Op de kade langs de Westerschelde keek ik weg van het water: recht in de muil van het Zeewezen.

Een grijs gebouw met deurposten als tanden, omlijst door een granieten trappenhuis. Hoge, verbaasd kijkende ramen.

De Schotten hebben het monster van Loch Ness, de Zeeuwen het Zeewezen.

Al jaren heb ik het idee dat we in het tijdperk leven van de fabeldieren: dat we moeten zien te overleven tussen de griezeligste, door onszelf geschapen creaturen. We doen het onszelf aan. Alleen al bij het beschrijven van onze leefomgeving gaan we ons boekje steeds verder te buiten. De weergave van de werkelijkheid – in de media, de politiek, de godsdienst – neemt almaar groteskere vormen aan. En die monsterlijke voorstelling van zaken begint zich tegen ons te keren.

Beschrijven klinkt onschuldig. Neutraal. Het kan met fictie: met verzonnen personages die al even verzonnen handelingen verrichten. Het kan met verslaggeving: in een zo waarheidsgetrouw mogelijk taalregister.

Over de romankunst heeft Gerard Reve zijn genadig licht laten schijnen. Als eerste gastschrijver aan de Universiteit Leiden heeft hij zijn vier openbare colleges uit 1985 overgeleverd onder de titel Zelf schrijver worden.

Een schrijver is een fictieschrijver, vindt Reve

Een schrijver is voor Reve een fictieschrijver. Een schrijver fabuleert. Hij (of zij? – daarover spreekt Reve zich niet uit) verzint. Wie iets anders doet is geen schrijver. Niettemin merkt Reve op: ‘Ik vind ‘‘fictie” een beetje een denigrerend woord.’

Als 32ste gastschrijver in Leiden, en de eerste die zich toelegt op het waargebeurde verhaal, moet mij van het hart: ik vind ‘non-fictie’ een beetje een denigrerend woord.

Non-fictie. Ik wil geen label op mijn werk dat zegt wat het niet is. Stel, ik sta op de markt met meloenen, dan prijs ik mijn waar toch niet aan met: Geen bananen!

Non-fictie impliceert: waargebeurd. Toch is de sticker ‘waargebeurd’ geen keurmerk, maar hooguit een kenmerk van mijn werk.

Dwingt men mij tot etikettering, dan verwijs ik graag naar de Polen. Met dank aan Ryszard Kapuscinski en Hanna Krall, pioniers van de reportage als kunstvorm, krijgen mijn vertalingen in Polen het label literatura faktow opgeplakt: ‘literatuur van de feiten’.

Waarin verschilt de romankunst van de feitenliteratuur in hun benadering van de werkelijkheid?

Schrijven is per definitie ver-zinnen

Beide hebben 26 letters tot hun beschikking. Beide ontkomen er niet aan de boel te verwoorden. Wat altijd een stilering van de werkelijkheid met zich meebrengt. ‘Fiction is a version of reality’, schreef V.S. Naipaul. ‘Like non-fiction.’

De eerste zin van mijn boek Ararat gaat zo:

‘Stapel de lettergrepen van Ararat op en je krijgt een berg.

A R A R A T’

Hier is geen woord aan gelogen. Het is je reinste non-fictie. Tegelijk (of moet ik zeggen: en toch?) is het een vorm van verbeelden.

Schrijven is per definitie ver-zinnen: je maakt zinnen van ervaringen, denkbeelden, gebeurtenissen.

Dit begint bij het naamgeven. Mijn literaire held Andrej Platonov voert in Tsjevengoer de gevoelige jongen Dvanov ten tonele. Over hem lezen we: ‘Op zijn zeventiende had Dvanov nog geen eelt op zijn ziel, en ook geen geloof in God of iets wat het verstand rust geeft; hij gaf geen vreemde naam aan het naamloze leven dat zich voor hem openbaarde.’

Het was aan Adam in het paradijs om namen te geven aan de dieren. Ik zie hem daar zitten onder de appelboom terwijl de naamloze schepsels, nog nat achter de oren, in een stoet aan hem voorbij paraderen.

Zebra, noteert hij bij de een.

Struisvogel, bij de andere.

Stokstaartje.

Dit hoort bij het scheppingsverhaal. Benoemen ís scheppen.

Hangbuikzwijn.

Pas in hun naam komt hun volle wezen tot uiting: het worden zebra’s, struisvogels, stokstaartjes en hangbuikzwijnen.

Mensen zijn dieren die elkaar sprookjes vertellen. Naast moedermelk, een dak boven je hoofd en een warm bed krijg je als kind een verhaaltje voor het slapen gaan. Mijn favoriet was de fabel van de pratende slang die Eva verleidde tot het eten van de boom van de kennis van goed en kwaad. Dat mocht niet maar ze deed het toch: zo is het kwaad in de wereld gekomen.

De mythische verhalen waaruit godsdiensten zijn opgetrokken grijpen in op het leven van miljarden – tot gesnij in geslachtsdelen aan toe. Welke diersoort doet zoiets? Het gros van de wereldbevolking vertrouwt liever op fabels dan op feiten. Alsof we ons vrijwillig kooien in het traliewerk van zelfbedachte verhalen.

Romancier begint met vormeloze klei, reportageschrijver met een brok steen

De vervaardigers van verhalen gaan verschillend te werk. Karikaturaal gesteld: de romancier vangt aan met een homp vormeloze klei – om daaruit personages te kneden, en een plot. De reportage-schrijver begint met een brok steen. Hij of zij bevrijdt al hakkend de personages en de plot uit de bestaande materie. Vrij naar Michelango’s uitroep: ‘Het beeld was er al, ik hoefde hem alleen maar uit het marmer te verlossen.’

Het genre reportage gebruikt onkneedbare, harde feiten als basis. Die feiten doen er toe. Maar ze spreken nooit voor zich. Feiten houden hun mond, al rooster je ze boven een vuurtje.

De 17-jarige Dvanov, voortstappend over de Russische steppe, kijkt nog onbevangen: ‘Hij (Dvanov) wilde niet dat de wereld onbenoemd zou blijven; hij verwachtte slechts haar eigen naam uit haar eigen mond te horen in plaats van de opzettelijke bedachte bijnamen.’

Ging het maar zo. Sinds de uitvinding van de taal gaat de wereld gebukt onder opzettelijk bedachte bijnamen. Is iemand een bootvluchteling of een ‘dobberneger’? Namen zeggen soms ontluisterend veel over de naamgever.

Hier stuiten we op wat Reve een van de vier Zuilen van het Proza noemde: het Woordgebruik. ‘Woordgebruik is een bewuste, opzettelijke keuze’, sprak hij in zijn vierde college getiteld ‘Misbruik nooit Zijn Naam.’

Reve staat stil bij het woord ‘volksdemocratie’: ‘Niemand kon precies zeggen wat het inhield, maar wel begreep iedereen dat het in geen geval democratie betekende.’

Wij, mensachtigen, geven de feiten een stem. We zijn feitenfluisteraars, vaardige buiksprekers die net doen alsof de dingen rondom spontaan tot ons spreken. Harde feiten omzwachtelen we met verdichtsel – zo verkrijgen ze de musculatuur waarvan we op de duur geloven dat die eigen is.

Dit gaat ook op voor voorvallen. Door ze gloedvol onder woorden te brengen krijgen ze glans en betekenis. De val van de Muur. De val van Epke Zonderland. Ze nemen de kleur en de smaak aan die we er zelf eerst hebben ingelegd – met taal als marinade.

Wat je ziet hangt af van hoe je het noemt.

Hangbuikzwijn.

Als benoemen een vorm van scheppen is, is herbenoemen herscheppen.

De ‘Birma-spoorlijn’ jaagt schrik aan, de ‘Myanmar-spoorlijn’ niet. Peking is niet dezelfde stad als Beijing. In een Chinees restaurant bestel je geen Beijing-eend.

Wet van de Onbruikbaarheid van de Werkelijkheid

In zijn tweede openbare les introduceerde Reve zijn ‘Wet van de Onbruikbaarheid van de Werkelijkheid.’ Zijn grote bezwaar tegen de werkelijkheid: zij staat de geloofwaardigheid van een vertelling in de weg.

Reve: ‘Veel van wat een mens overkomt vertelt hij liever niet aan anderen, omdat hij geen zin heeft voor leugenaar gezet of uitgelachen te worden.’

Wat kan ik hier tegenover stellen als schrijver van waargebeurde verhalen?

Toen ik voor mijn boek Ararat na een lange rit in een minibusje door Oost-Turkije de vijfduizend meter hoge berg van Noach voor me zag opdoemen, stond er boven de ijskap een regenboog.

‘Dit kan niet waar zijn!’ was het eerste wat ik dacht. Een regenboog boven de Ararat: net als destijds na de zondvloed. Mijn tweede gedachte was: ‘Niemand zal me ooit geloven!’

Om niet als een fantast te worden weggezet, heb ik half uit het raampje hangend met mijn camera de regenboog boven de Ararat vastgelegd.

Maar toch. In mijn boek komt deze scène niet voor. Waarom niet? Eenvoudig vanwege Reve’s adagium ‘Echt Gebeurd is Geen Excuus’, wat ook de titel is van zijn tweede college.

Die regenboog boven de Ararat was kitsch. Als schrijver van reportages redigeer ik de werkelijkheid, ik snoei haar bij – omwille van de geloofwaardigheid.

Er zijn zaken te mooi om waar te zijn. Er zijn er ook te waar om mooi te zijn.

Reve’s ‘Echt Gebeurd is Geen Excuus’, is de lijfspreuk geworden van politici als Poetin, Trump, Erdogan en Wilders. Ieder op hun eigen manier wekken zij met hun weergaven van de werkelijkheid de ene na de andere draak tot leven.

Verhalen evolueren, net als de soorten. In de strijd om het bestaan zijn sterke verhalen in het voordeel ten opzichte van de slappe. Sterke verhalen laten zich gretiger doorvertellen; ze vinden makkelijker een gewillig oor. Doorvertellen in de cultuur staat gelijk aan voortplanten in de natuur. Daarbij treden mutaties op.

Aangejaagd door het vliegwiel dat internet heet, groeit de evolutie van verhalen ons boven het hoofd. Ingewikkelde verhalen leggen het af tegen simplistische, genuanceerde tegen ongenuanceerde, saaie tegen sensationele.

Fabuleren loont. Alles lijkt geoorloofd, met als gevolg: de fabeldieren die we in het leven roepen zijn monsters geworden.

En dat is waarom ik geen fictie schrijf. Ik zou eraan willen bijdragen de hedendaagse cyclopen en centaurs in toom te houden, ze te kooien in een traliewerk van feiten. Ik denk dat dit beter gaat met feitenliteratuur, dan met nog meer fictie.

Jaloers op de fictieschrijver

Begrijp me niet verkeerd. Ik houd van romans. Met fictie kun je scenario’s verkennen. Zoals Michel Houellebecq in Onderworpen: over het Frankrijk van 2022 onder de eerste moslimpresident.

In die zin ben ik jaloers op de fictieschrijver. Tegelijk doet het me huiveren hoe snel een verzonnen tekst losgezongen raakt van de ondergrond. Woorden die niet langer op een bestaande stam zijn geënt, verwijzen alleen nog naar elkaar.

Met de feitenliteratuur daarentegen kun je bestaande, moeilijk grijpbare zaken bij de kladden pakken. Vastpinnen.

Ik voel mij betrokken bij de dingen om me heen. In tijden dat de maatschappelijke deining hoog gaat, houd ik mijn ogen graag gericht op de kustlijn. Op de kade van Vlissingen bijvoorbeeld, met zijn vuurtoren, zijn kazematten en zijn Zeewezen.

Ik wil niet dat mijn reportages zomaar op drift raken en afdrijven. Daarom veranker ik ze in de werkelijkheid.

Onlangs ontmoette ik romancier Marcel Möring. Via omwegen kwam het verhaal op mijn vriendschap, in 1985, met een voortvluchtige RAF-terroriste op Cuba.

Marcel spitste zijn oren.

Ik zei dat ze zich niet meteen als RAF-lid aan me voorstelde, toen ik haar in een stadsbus in Havana tegenkwam. Pas weken later biechtte ze op dat ze samen met Ulrike Meinhof en Holger Meins een politieman in Hamburg had doodgeschoten. Het weerhield mij er niet van om haar – op het Havana Filmfestival – voor te stellen aan de Nederlandse ambassadeur, Coen Stork, en aan de saxofonist van de huisband, Nicolás.

‘Die Nicolás begon haar onmiddellijk het hof te maken’, vertelde ik. ‘Hij een Creoolse macho, zij een Westduitse feministe van 1 meter 83, volgens haar signalement.’

Een jaar later hoorde ik dat ze een tweeling hadden, een jongen en een meisje. ‘Het jongetje heet Holger, het meisje Gudrun.’

Marcel schaterde het uit. Tussen de lachstuipen door zei hij: ‘Daar. Kun. Je. Dus. Helemaal. Niets. Mee!’

Ik keek hem niet-begrijpend aan.

‘Als schrijver!’ Marcel zei het hikkend. ‘Daar kun je dus helemaal niets mee als schrijver.’

Nu schoot ik in de lach. In mijn jongste boek neemt de voortvluchtige RAF-terroriste een compleet hoofdstuk in beslag.

Ik moest denken aan Reve’s ‘Wet van de Onbruikbaarheid van de Werkelijkheid’. Ik dacht ook: arme, arme fictieschrijvers.

Dit is een ingekorte versie van de Verweylezing die Frank Westerman (die dit jaar Een woord een woord publiceerde) gisteren in Leiden uitsprak.