Column

Mijn lange, vlakke land

Is Nederland het langste land omdat het ook het vlakst is? Nederlandse mannen zijn al jarenlang de langste van de wereld, gemiddeld nu zo’n 183 cm. De vrouwen staan op een mooie tweede plaats na Letland. Waarom Nederland? Zo ver ik weet is de wetenschap nog niet met een eenduidig antwoord gekomen op deze existentiële vraag. Er zijn onze goede genen, de vele zuivelproducten, het volkorenbrood, de gezondheidszorg en het welvaartsniveau. Ook Darwin mengde zich onlangs in de discussie toen onderzoek constateerde dat lange Nederlanders meer kinderen krijgen en zo met hun genen ook extra centimeters door de bevolking verspreiden.

Een andere verklaring komt van de Groningse economisch-historicus Jan Willem Drukker. Hij suggereerde dat de spectaculaire groei van de Nederlander na 1850 het gevolg is van democratisering en emancipatie, maatschappelijke verschijnselen die op hun beurt tot een uiterst egale inkomensverdeling hebben geleid. Nederland behoort tot de minst ongelijke landen ter wereld. Op slechte dagen noemen we dit het maaiveld, op goede dagen de hoogvlakte.

Als je de gemiddelde lengte wilt laten toenemen, zo gaat de redenering, is het voordelig de welvaart zo breed mogelijk te verspreiden. Vlak maakt lang. Stel dat we de gemiddelde lengte met 1 centimeter willen laten toenemen. Eén optie is dat iedereen 1 cm langer wordt, geen onmogelijke opgave. Een andere mogelijkheid is dat 10 procent van de bevolking 10 cm groeit. Een derde optie, typisch voor een land met grote ongelijkheid, is dat de top 1 procent een volle meter langer wordt – iets wat de Engelsen zo beeldend a tall order noemen. Volgens deze economische theorie bestaan er geen lange bananenrepublieken.

Lengte is typisch een eigenschap die men als een gemiddelde per inwoner meet, net als levensduur, gezondheid of geluk. Al deze welzijnsindicatoren profiteren van economische gelijkheid. Het is even moeilijk voor de happy few om honderd keer ouder, gezonder of gelukkiger te worden, als om honderd keer langer te worden. Het is dan ook geen toeval dat je bovenaan de verschillende wereldranglijstjes altijd dezelfde landen vindt. Of het nu gaat om lengte, geluk of opleiding, het zijn typisch de kleine naties in Noordwest-Europa die domineren, zoals Nederland, Denemarken, Noorwegen, Zweden en de Baltische staten. Die hebben allemaal een kleine, uniforme bevolking met een zeer gelijke inkomensverdeling. Ze zijn goed in gemiddeld zijn. Gelijkheid lijkt een winnende nationale strategie.

Wat zich wel gemakkelijk door enkelen bijeen laat graaien is geld. Het welvaartsniveau, zoals meestal gemeten in het bruto binnenlands product per inwoner, hangt niet af van de inkomensverdeling. Het is de uitkomst van een eenvoudige rekensom: het totale bbp gedeeld door het inwonersaantal. Achter dit cijfer kunnen grote verschillen schuilgaan, want het is niet onmogelijk om honderd keer meer te verdienen dan een ander, of zelfs een miljoen keer.

Er woedt op dit moment een felle discussie over ongelijkheid. Vaak wordt beweerd dat die wereldwijd toeneemt en dat dit een verwerpelijk verschijnsel is. Maar ongelijkheid is niet per definitie slecht. Zoals de econoom en Nobelprijswinnaar Angus Deaton schrijft in The Great Escape (Princeton, 2013), kan ongelijkheid een indicator zijn van vooruitgang. Het argument is dat veranderingen nooit uniform plaatsvinden. Er zijn altijd mensen die eerder bereid zijn de stap voorwaarts te maken in het gebruik van nieuwe technologieën zoals riolering, medische ingrepen of computers. Zeker in de eerste fase van een grote maatschappelijke innovatie zullen deze early adopters voor een ongelijke verdeling zorgen – ongelijkheid als neveneffect van groei. Denk aan die lange oer-Hollanders die voor het eerst als volwassenen de moedermelk van een koe gingen drinken.

Mijn favoriete beeld van positieve ongelijkheid is het peloton in de Tour de France, waar voortdurend nieuwe wielrenners op kop rijden en zo anderen uit de wind houden. Onderwijs en wetenschap zijn trouwens andere domeinen waar een zekere ongelijkheid goed en onvermijdelijk is. Kennis begint altijd in een kleine groep.

Belangrijk is echter of de maatschappij ook het andere been bijtrekt en uiteindelijk collectief de sprong vooruit maakt. Dat wil zeggen, of op termijn alle voordelen van vooruitgang breed worden gedeeld en niet blijven hangen bij dezelfde top één procent. Dat laatste lijkt steeds meer te gebeuren. Die economische ongelijkheid vertaalt zich in stagnerende gezondheid en welzijn, en blijkt te correleren met vele andere effecten zoals gevoeligheid voor stress, depressie, drugsgebruik, en… obesitas. Een vlakke inkomensverdeling maakt de burger niet alleen lang, maar ook slank.

In dat opzicht is het interessant dat Amerika een eeuw geleden nog tot de langste naties ter wereld behoorde, maar nu ergens in de middenmoot staat, op plaats 37 tussen Hongarije en Grenada, terwijl de ongelijkheid (en buikomvang) in de Verenigde Staten ondertussen enorm is toegenomen. Opvallend is ook dat de fysieke groeikromme ging afvlakken in de jaren zeventig, op hetzelfde moment dat ook de middeninkomens stopten met groeien.

De vele ongenoegens die in de huidige presidentsverkiezing naar boven borrelen, hebben alles met deze ongelijke economische verdeling te maken. Misschien zou de juiste slogan daarom moeten zijn: Make America tall again.

Professor Robbert Dijkgraaf is directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton