Kunnen wit en blank door één deur in dezelfde krant?

De eindredacteur wist het even niet meer. Schrijven we nu ‘blanken’ of ‘witten’? Hij was bezig met een stuk over onrust in ‘zwart Amerika’, maar kon geen uitsluitsel vinden onder collega’s of in het Stijlboek. Ten einde raad: wist de (witte) ombudsman het soms?

De term allochtoon werd deze week door de overheid geschrapt (eindelijk een ‘pleur op’ waarmee valt te leven), en dat scheelt een stuk. NRC liet die veel te algemene term al eerder vallen.

Maar in de spreektaal, op een zij-toneel van de Pietse Twisten, wordt nu slag geleverd om een ander begrippenpaar: blank en wit. Het Engels, Frans en Duits ontsnappen daaraan (overigens werd in het Nederlands ‘wit’ ook in het verleden al gebruikt voor blanken).

Anti-racisten pleiten voor wit, omdat blank (ook wel: ‘zuiver, rein, onbevlekt’) connotaties heeft van een vanzelfsprekende, kleurloze normaliteit (of superioriteit). Wit is dan een neutrale term, die als kleur ook beter past tegenover zwart. Op dat gelijke speelveld wordt soms nog een strafschop genomen: dan weten ‘jullie’ ook hoe het voelt om met een kleur aangeduid te worden! Een lezer stuurde de krant al eens verkreukeld terug, het woord blanke doorgekrast en vervangen door ‘witte’.

Nieuwe discussie? Dat niet. Een eerdere editie van het Stijlboek (2000) stelde nog, onwrikbaar: „We schrijven niet over witte mensen, maar over blanken.” En over zwart: „Wanneer de Amerikaanse zwarte bevolking niet zwart genoemd wil worden, maar Afrikaanse Amerikanen, dan gaan wij die term ook gebruiken. Tot die tijd blijft het zwart.”

Aha. Geen woord over Nederland, trouwens. Daar woonden toen kennelijk nog geen zwarte mensen.

Of wacht, toch wél. Bij het lemma Vermelding van huidskleur en ras lezen we in datzelfde Stijlboek: „In de welzijnswereld bestaat de neiging iedereen zwart te noemen die niet specifiek blank is. Daar doen wij niet aan mee.”

Tjonge! Maar hier wordt dus al meteen duidelijk dat taalgebruik niet objectief is, maar het resultaat is van maatschappelijke discussie en keuzes.

In dat oude Stijlboek stond ook nog, stellig: „Als de huidskleur relevant is, beschrijven we wat we zien.” O ja? Maar wát zien ‘we’ dan? Een lezer hekelde eens de beschrijving van de zanger Stromae als „mokkakleurig”. Hij vroeg zich af in welke eeuw de krant leefde. Zulke barokke beschrijvingen zijn al bijna uitgestorven in de kolommen.

Ook volgens de taalregels van het huidige Stijlboek schrijft de krant nog steeds „blanken” en niet „witten”. Een beetje een dode letter, want op de redactie verschuiven de voorkeuren.

Een redacteur van de Boekenbijlage gebruikt al standaard „witten”, zegt zij, met de bekende argumenten: ‘blank’ klinkt naar reinheid en schoonheid, en daarnaast is wit logischer.

Ook de correspondent Zuid-Afrika is er, net als zijn voorganger, klip en klaar over: blank is wit geworden, schrijft hij mij. „Waarom zouden wij blank zijn, als zij zwart zijn?” Een voorlijke redacteur Buitenland zegt simpelweg: „Blank is zooooooo verleden tijd.”

Maar blanken zijn er ook nog, in de krant. Een chef zou zelf spreken van een ‘witte’ redactie (een instituut) maar net zo goed van ‘blanken’ (de mensen).

Een argument dat ik van verschillende kanten hoorde is dit: richtlijn moet zijn hoe mensen, of groepen, zélf aangeduid willen worden, niet hoe anderen vinden dat het moet. Een oud-correspondent in de VS wijst erop dat het de wens van de Afro-Amerikaanse gemeenschap zelf was om van negro naar black te gaan en van black naar African-American te gaan. Dus, vindt hij, zoiets moet je niet opleggen, maar zich laten ontwikkelen. Je moet er, zegt hij, ook niet aan denken dat ‘witten’ van de weeromstuit een geuzennaam wordt; dan zijn we terug bij White Power.

Er is ook kritiek op de introductie van ‘wit’ omdat die term ook een negatieve lading kan hebben, of in elk geval een politieke en ideologische.

Een recent voorbeeld daarvan is te vinden bij Ta-Nehisi Coates, die spreekt van „mensen die dénken dat ze wit zijn” (een variatie op James Baldwin). Het is zijn aanduiding voor wie nog, naïef, gelooft in de onschuld van de Amerikaanse Droom, terwijl die is gebouwd op het uitbuiten van zwarte lijven.

Ironisch genoeg krijgt ‘wit’ in die benadering dezelfde connotatie die ‘blank’ nu heeft en waar activisten juist vanaf willen, namelijk die van een illusoire normaliteit. Alleen is die nu voorzien van een negatief moreel oordeel, omdat het woord historische schuld zou versluieren. In die context is wit dus allerminst neutraal. Integendeel, het is een etiket voor vals bewustzijn.

Het argument dat blank geen kleur is, zoals zwart, is ook niet absoluut. Op de lagere-ombudsschool leerde ik nog dat wit en zwart strikt genomen geen van beide kleuren zijn. Trouwens, als wit een kleur is, zouden ook witten, ‘mensen van kleur’ zijn, en dat is ook weer niet de bedoeling. Ook eens gehoord: „Wit? Jullie zijn blank, je ziet door de huid de aderen lopen, heel eng. Net als blanke lak.” Hoe dit precies zit, laat ik graag aan de bèta’s onder u.

Kern van de zaak: wit en zwart zijn geen ‘objectieve’ beschrijvingen, zeker niet van huidskleur. Het zijn sociale constructies, die in een historische en normatieve context staan.

Wat moet de krant hier nu mee?

Ik zou zeggen: laat wit en blank het samen uitknokken. Het verbod op ‘wit’ is achterhaald. Nieuwe oekazes of verboden lijken me niet nodig.

Taalgebruik evolueert. Een beladen woord kan in onbruik raken, zoals met ‘allochtoon’ is gebeurd. Als ‘blank’ alleen nog maar klinkt als de ‘blanke top der duinen’, ja, dan is wit wél neutraler. Overigens, meestal zal vermelding van wit of zwart niet nodig zijn.

Een krant moet zich hier niet krampachtig aan onttrekken, mits die beseft dat het geen kwestie is van kleurenleer, maar van veranderende tijden en taalgevoel. De maatschappij heeft hier het voortouw, niet de krant.

Reacties: ombudsman@nrc.nl