Column

Kom maar op met die handelsverdragen (2)

Wil je dat handelsverdragen aan legitimiteit winnen? Dan moet je eerst eens internationale afspraken maken die het bedrijfsleven niet fijn vindt, schrijft Marike Stellinga.

Het handelsverdrag CETA is nog maar net ondertekend door de Canadese premier Justin Trudeau en de Europese Unie of de volgende horde dient zich aan. In Nederland zijn CETA-critici bezig de benodigde 300.000 handtekeningen voor een referendum te verzamelen. Er zijn al 189.000 steunbetuigingen binnen.

Het duurt allemaal nog even voor het zover is: eerst moet CETA worden goedgekeurd door het Europees Parlement, door alle nationale parlementen en vervolgens door onze Eerste Kamer. Dan pas kan er een referendum komen. De initiatiefnemers gokken op maart 2018. Tenzij de Tweede Kamer de referendumwet tussentijds verandert: bijvoorbeeld door internationale verdragen van referenda uit te sluiten. Daar zijn parlementaire oren naar. Dus u hoeft zich nog even niet aan de 1.600 pagina’s verdragstekst te zetten. Ja of Nee tegen CETA zal u voorlopig niet worden gevraagd.

Maar dat we nog niet klaar zijn met CETA is helder: in heel Europa klinkt verzet. In Duitsland, Oostenrijk en België zijn er nog potentiële hordes voor het verdrag te over. En dat handelsverdragen voorgoed in brede publieke belangstelling staan, is ook duidelijk.

Politici, ambtenaren en analisten breken zich nu het hoofd over de vraag hoe met die nieuwe belangstelling om te gaan. Hoe kan je de steun voor dit soort handelsverdragen vergroten? Of is het gewoon jammer, been there, done that en bedankt? Dag handelsverdragen.

Lilianne Ploumen, PvdA-minister voor Buitenlandse Handel, denkt dat verdragen vooraf, dus voor de onderhandelingen beginnen, draagvlak moeten verwerven. Vakbonden, bedrijven en milieuclubs moeten vanaf het begin meepraten. Veel economen adviseren de verliezers van mondialisering te compenseren en te helpen. Degenen die door vrijhandel hun baan kwijtraken, zeg maar. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. In Europa is het vangnet van de sociale zekerheid veel groter dan in de Verenigde Staten, maar is de onvrede minder? Ik betwijfel het.

Ander idee is om het omstreden arbitragemechanisme, ISDS of ICS, waar bedrijven overheden kunnen aanklagen, eruit te halen. Waarom kan dat klagen niet bij een gewone rechtbank? Het voedt het idee dat handelsverdragen er vooral voor grote bedrijven zijn en dat beleidsvrijheid van landen wordt ingeperkt. De aanpassingen in CETA aan deze clausule hebben die achterdocht niet weggenomen.

Ik ben nogal gecharmeerd van een idee van The Economist. Internationale verdragen krijgen weer legitimiteit als overheden ze ook gebruiken om multinationals weer meer belasting te laten betalen. Als het om mondialisering en internationale verdragen gaat, spreken regeringen namelijk met twee monden.

Aan de ene kant vertellen ze hun burgers regelmatig dat ze van alles niet kunnen regelen, omdat we nou eenmaal maar één land zijn in een grote wereld. We kunnen niet eigenhandig multinationals meer belasting opleggen, dat moet internationaal worden afgesproken (maar gebeurt niet). We kunnen niet banken strengere kapitaalbuffers opleggen, want als we de enige zijn straffen we onze banken en winnen buitenlandse banken. We kunnen niet eenzijdig een koolstofbelasting opleggen want … idem dito.

Aan de andere kant sluiten regeringen wel handelsverdragen af met andere landen waarin bedrijven het recht verwerven een land voor het gerecht te slepen. Hoezo dat dan wel? Dat wringt. Dat geeft het gevoel dat de multinational wel erg prominent aan tafel zit.

Wil je dat handelsverdragen aan legitimiteit winnen, dan moet je eerst eens internationale afspraken maken die het bedrijfsleven niet fijn vindt. Dan winnen de verdragen die het bedrijfsleven wel fijn vindt direct aan legitimiteit.

Marike Stellinga is econoom en schrijft elke zaterdag op deze plek over politiek en economie

Lees hier haar vorige column terug: Kom maar op met die handelsverdragen!