Cultuur

Interview

Interview

Foto Nicolas Guerrin/Getty Images

In mijn werk geef ik alles, álles wat ik heb

Interview Steve McQueen

„Ik ben een Londenaar die in Amsterdam woont”, zegt de wereldberoemde regisseur en beeldend kunstenaar Steve McQueen. Volgende week krijgt hij de Johannes Vermeer Prijs, de staatsprijs voor de kunsten.

Het opmerkelijkste aan Steve McQueens entree in café De Ysbreeker in Amsterdam is dat die gebeurtenis zo onopmerkelijk is. Niemand kijkt op, niemand die de beroemde buurtgenoot vanuit de ooghoeken volgt – terwijl je je makkelijk kunt voorstellen dat dit heel anders zou gaan wanneer McQueen een kunstenaarscafé in, zeg, Los Angeles, Londen of New York zou betreden. Steve McQueen (1969) is op dit moment zonder twijfel een van de beste en meest gelauwerde kunstenaars ter wereld. Als regisseur van 12 Years a Slave kreeg hij in 2013 een Oscar én een Golden Globe én een Bafta voor beste film. Hij won nog een stuk of twintig andere filmprijzen, is Commander of the Order of the British Empire, vertegenwoordigde Groot-Brittannië op de Biennale van Venetië en kreeg al in 2002 de Turner Prize, toen nog een van de meest prestigieuze prijzen in de beeldende kunst. McQueen bestrijkt met z’n werk het hele filmspectrum, van complex videowerk naar arthousefilms (Hunger) tot een intelligente Hollywood-productie als 12 Years a Slave – en dan maakt hij ook nog beelden, en foto’s en installaties. Veelzijdiger dan hij is er nauwelijks.

Zo bekeken is het feit dat McQueen op 7 november de Johannes Vermeer Prijs krijgt uitgereikt niet meer dan een rimpeling in zijn carrière, maar hij lijkt er oprecht blij mee. „Het was een bijzonder aangename verrassing”, zegt hij, als we ons in een hoekje van het café hebben genesteld met een kop muntthee. „Het is een grote eer om waardering te krijgen van het land dat ik als woonplaats heb geadopteerd. Ik woon al bijna twintig jaar in Amsterdam, ik werk hier veel – en dan is het prettig om te merken dat mensen hier mijn werk ook op prijs stellen. Dus ja, ik ben er blij mee.”

Voelt u zich ook een Nederlander?

„Ik ben een Londenaar die in Amsterdam woont. Ik beschouw mezelf vooral als Europeaan; er is, behalve de taal en wat culturele verschillen, heel veel verwantschap tussen Engeland en Nederland.”

Wat voor culturele verschillen bedoelt u?

„De seksshops, allereerst. Of beter: dat die zo openlijk aanwezig zijn, dat was echt een culture shock. In Engeland liggen porno en seks weggestopt op de bovenste winkelschappen zodat kinderen er niet bij kunnen. Hier lag de seksshop tegenover de school van mijn dochter – aan de andere kant stond een kerk. Maar wat ik ook bijzonder vind aan Nederland is het krachtige besef van geschiedenis dat hier leeft. Toen ik door Amsterdam begon te lopen besefte ik, mede door de verhalen van mijn vrouw, dat de geesten uit het verleden met me mee wandelden. Het verleden is hier veel meer aanwezig dan in Londen, mede omdat Amsterdam in de oorlog nauwelijks is gebombardeerd en de gebouwen dus nog grotendeels dezelfde zijn. Dan blijkt dat op de plaats waar mijn dochter haar fiets altijd neerzet, de SS mensen ondervroeg en martelde. Je passeert het SS-wervingsbureau, de plek waar iemand is neergeschoten of waar het verzet zijn kranten drukte… Wie in deze stad z’n ogen openhoudt kan het verleden niet missen. Ik vind het belangrijk zulke herinneringen levend te houden, dat is het ook in mijn werk.”

Inderdaad zou je het omgaan met herinnering, het tonen van gebeurtenissen die anders vergeten zouden worden, als een van de belangrijkste constanten in McQueens oeuvre kunnen beschouwen. Neem de installatie Giardini, waarin McQueen een impressie geeft van het terrein van de Venetiaanse Biennale na het seizoen, als alle kunstliefhebbers zijn verdwenen – honden, rupsen en cruisende homoseksuelen hebben het terrein overgenomen. In Hunger vestigt hij de aandacht op een bijna-vergeten hongerstaking van een groep IRA-leden in 1981, terwijl 12 Years a Slave het verhaal vertelt van Solomon Northup, een vrije zwarte man, die wordt gekidnapt en als slaaf naar het zuiden wordt verkocht.

In zijn meest recente video-installatie Ashes (2014), gefilmd op Grenada, gaat McQueen echter nog een stap verder. De film bestaat uit twee schermen. Op het ene zien we hoofdpersoon Ashes, een knappe, jonge Grenadese man, die op de rand van een boot staat te poseren; hij balanceert, hij grijnst – een prachtig symbool van schoonheid, jeugd, viriliteit. Intussen horen we zijn vrienden praten over hoe Ashes werd vermoord omdat hij toevallig drugs had gevonden. Vervolgens zien we op het andere scherm hoe twee mannen twaalf jaar later een graf voor Ashes bouwen. Dat gaat heel rustig, we volgen de handeling en detail, bijna alsof je naar een instructiefilm voor aspirant-gravenbouwers zit te kijken. Het tweeluik is prachtig in zijn melancholie, in zijn concentratie, tot je beseft dat het graf ongetwijfeld alleen kon worden opgericht doordat McQueen ervoor betaalde – het werk bestaat dus vooral doordat de kunstenaar hoogstpersoonlijk heeft ingegrepen in de geschiedenis, in de herinnering aan Ashes.

Hoe kwam u erop het graf te laten bouwen?

„Ik wilde de herinnering aan Ashes verlengen. Mijn vader stierf ongeveer in dezelfde tijd als Ashes en ik besefte zo goed dat iedereen uiteindelijk vergeten wordt, vaak al in twee generaties. Mijn dochter heeft mijn vader nog een beetje gekend, maar wat gebeurt er als zij er niet meer is? Mijn kennismaking met Ashes was puur toeval. Ik werkte op Grenada aan de film Carib’s Leap en we kwamen hem tegen: zo mooi, en jong, en zo vol levenslust… Mijn cameraman Robby Müller schoot wat film, op die boot, achter Ashes zie je de horizon – en zes weken later was-ie dood. Maar dat hoorde ik pas toen ik elf jaar later terugkwam. Een graf was er niet: als je in Grenada niet bij de kerk bent aangesloten beland je automatisch in een armengraf, nauwelijks meer dan een gat in de grond met wat aarde erop. Ik was zo van hem onder de indruk geweest dat ik wilde dat hij niet vergeten zou worden, ik wilde de herinnering aan hem rekken – en dat ik dat kon doen door zowel onze opnames te tonen als zelf een graf voor hem te laten maken. Dan zou hij op twee manier kunnen worden herinnerd: via het graf en via mijn werk.”

U zegt nu wel dat iedereen binnen twee generaties wordt vergeten, maar juist u, als succesvol kunstenaar, heeft de macht mensen een langer leven te geven. Uzelf niet in de laatste plaats.

McQueen aarzelt, even. „Het gaat niet om mij, maar om mijn werk. Ik denk zelden na over het effect van mijn werk, hoe mensen erop zullen reageren, ik wil alleen maar dat het goed is. Dan komt de rest vanzelf.”

Wanneer is een werk goed?

„Ik probeer het mezelf altijd moeilijk te maken, bij ieder werk opnieuw. If there’s a flat road, I’d rather go up a hill. Dat is je verantwoordelijkheid, vind ik, als kunstenaar: jezelf steeds opnieuw uitvinden. Nooit opgeven. Nieuwe wegen zoeken, nieuwe vormen. Eigenlijk is mijn belangrijkste doel heel simpel: proberen het beste te maken wat ik kan.”

Maar die heruitvinding van jezelf moet wel steeds uit jezelf komen.

„Nee, dat doet het werk, dat verandert mij. Mensen die ik bewonder, Miles Davis bijvoorbeeld, bleven veranderen, bleven voortdurend op zoek naar nieuwe dingen. Daar hoort bij dat je fouten durft te maken, dat je durft te blijven experimenteren. Daarom is vrijheid in de kunst het allerbelangrijkste, en daarom geloof ik er ook niet in dat je kunst moet gebruiken voor sociale kwesties, voor politiek… Eerst moet het werk goed zijn, dan komt de rest vanzelf.”

Waar zit die kwaliteit dan in?

„Bij het maken van films als Ashes of Hunger merk ik steeds opnieuw dat het echte leven in de dingen zit die de geschiedenisboeken nooit halen. Als we die lange monoloog van Bobby Sands in Hunger gaan draaien wil ik bijvoorbeeld perse weten of het die dag regende of niet. Wanneer je eraan gewend raakt dat er stront op de muren zit gesmeerd. Naar dat soort dingen vraag ik de betrokkenen altijd. De belangrijkste trigger voor geheugen is geur – de geur van de Parijse metro, die herken je meteen, de geur van je grootmoeders huis. Zo’n geur laat zich heel moeilijk beschrijven, maar als je ’m ruikt herken je ’m meteen.”

Zit er ergens een basis, een fundament onder dat soort ideeën?

„Ik weet het niet, je moet daarvoor waarschijnlijk toch terug naar je jeugd. Vaak, als ik het even niet meer weet, denk ik aan toen ik jong was en wat me toen in kunst interesseerde. Ik had het geluk dat we met school regelmatig naar de Tate Gallery gingen en eigenlijk was het altijd hetzelfde: het gaat om het moment dat je tegenover een kunstwerk staat en je meteen een soort herkenning voelt, iets wat je nog wist, waarmee je meteen verbonden bent – daar ergens zit de sleutel.”

U zegt dat u niet over maatschappelijke impact nadenkt, maar lijkt er wel gebruik van te maken – bijvoorbeeld als u een graf voor Ashes opricht, of u uitspreekt over het geringe aantal nominaties voor zwarte acteurs en medewerkers bij de Oscars.

„Dat was maar een keer, in een interview in The Guardian. Ik deed dat omdat het een belangrijk onderwerp is en ik het jaar daarvoor de Oscar voor beste film had gewonnen, dus ik voelde me verantwoordelijk. Volgens mij heb jij een vreemd beeld van sociaal geëngageerde kunst, alsof het een apart genre zou zijn. Kunst reageert altijd op vragen over het leven, over de maatschappij, over wie je bent. Altijd! Kunst gaat nooit alleen over esthetiek. Zelfs Van Gogh, Nederlands beroemdste kunstenaar: toen hij zijn zonnebloemen schilderde, probeerde hij daarmee een band met de wereld te creëren – Van Gogh was een zeer sociale kunstenaar! Maar ook de minimalisten in de jaren zestig en zeventig waren politiek, die reageerden op de oorlog in Vietnam, op de vrouwenrechtenbeweging… L’art pour l’art bestaat niet, kunst gaat altijd over alle aspecten van het leven.”

Laat ik het anders vragen: als beroemde kunstenaar heeft u macht. Die zou u kunnen gebruiken, voor sociale of politieke kwesties.

„Ja, maar als ik dat zou nastreven als doel werkt het niet. Zoals ik al zei: het gaat altijd in de eerste plaats om het werk zelf. Daarin geef ik alles, álles wat ik heb. Mijn werk en mijn gezin, dat is eigenlijk het enige waar het om draait. Dat is toch voor iedereen zo? En om dát goed te doen, dat is al zo…”

Onlangs werd bekend dat uw volgende film ‘Widows’ gaat heten, naar een tv-serie uit de jaren tachtig. Kunt u daar meer over vertellen?

Widows was een serie waar ik als kind graag naar keek. Het ging over een groep misdadigers die omkomen bij een overval en vervolgens nemen hun vrouwen de zaak over. Die serie was spannend en grappig, maar er zit ook een ‘Chinatown-kant’ aan: je komt terecht in een wereld waar andere regels en wetten heersen. Deze vrouwen komen uit heel verschillende sociale klassen en doen iets wat meestal niet met vrouwen wordt geassocieerd: stelen, misdaad. En dan is het ook nog eens een geweldige thriller, dus die combinatie sprak me erg aan. Snap je wat ik bedoel?”