Helden met bloed aan de handen

Geschiedenis

Indonesië eert de helden van de onafhankelijkheid. Maar deze strijders martelden en moordden – onder de koloniale soldaten én onder de eigen bevolking.

De openbare executie van een Indonesische communist in Magetan, 1948. Hij werd van een verhoging gegooid waarna de bevolking hem met messen doodde. Foto DLC

Op 10 november viert Indonesië Hari Pahlawan, Dag van de Helden. Dan wordt herdacht dat in november 1945 tientallen duizenden Indonesische jongeren, uitgerust met Japanse wapens, de strijd aanbonden met Britse troepen die waren geland in de marinehaven van Surabaya. Soekarno en Mohammed Hatta hadden op 17 augustus de onafhankelijke Republiek Indonesië uitgeroepen en de jeugd van Surabaya verdacht de Britten ervan dat zij het Nederlandse koloniale gezag kwamen herstellen. Het duurde weken voor Britse troepen de stad in handen kregen. Rond deze strijdlustige jongeren is in Indonesië een ware cultus geweven. In de Indonesische geschiedschrijving belichamen zij een generatie van helden die schouder aan schouder vocht voor de vrijheid.

Toch vallen er af en toe scheurtjes in deze heldencultus. Een gewezen scholier-soldaat, de schrijver Yusuf Bilyarta Mangunwijaya, beschreef in 1985 een gebeurtenis van begin 1950. In het Oost-Javaanse stadje Malang stonden Scholier-Soldaten van de Republiek Indonesië (TRIP) aangetreden, een jongerenstrijdgroep die had meegevochten tegen de Nederlanders. Het grote doel, onafhankelijkheid, was bereikt en het was tijd om te demobiliseren. De samengestroomde burgers van Malang werden toegesproken door de TRIP-commandant, majoor Isman. Hij trok, verrassend genoeg, het boetekleed aan: „Jullie hoeven ons niet zo warm te begroeten. We zijn niet langer jong en zuiver. We zijn ook niet de bloem der natie. We hebben gemoord en huizen platgebrand. Onze handen zijn besmeurd met bloed. Help ons terug te keren in de maatschappij als normale mensen. Niet wij zijn de helden, maar jullie, het gewone volk, dat zo zwaar heeft geleden.”

We hebben gemoord en huizen platgebrand. Onze handen zijn besmeurd met bloed.

Majoor Isman, commandant

In Nederland staan de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog en de pogingen van het koloniale moederland om het revolutionaire tij te keren weer volop in de belangstelling. In de rechtszaal, waar overlevende burgerslachtoffers van Nederlands militair geweld genoegdoening eisen. In de media, die geweldsincidenten reconstrueren. En in academia, waar historici na decennia van relatieve onverschilligheid in de bronnen zijn gedoken.

Dat historische onderzoek heeft het afgelopen jaar twee kloeke boeken opgeleverd: Soldaat in Indonesië 1945-1950 van Gert Oostindie en De brandende kampongs van generaal Spoor van Rémy Limpach. Daarin wordt overtuigend aangetoond dat het geweld van Nederlandse militairen tegen burgers en krijgsgevangenen geen incidentele ontsporingen waren, zoals de Nederlandse regering in 1969 na een haastig uitgevoerd onderzoek concludeerde, maar dat het structurele vormen aannam. Helemaal nieuw is deze conclusie niet, maar niet eerder is die zo zorgvuldig onderbouwd met brieven, dagboeken en memoires van oud-strijders, met veldrapporten en met interviews.

Het is een begin. Voor een goed begrip van het massale geweld in het Indonesië van de jaren 1945-1950 zou deze reconstructie van Nederlandse oorlogsmisdaden moeten worden aangevuld met een even zorgvuldige studie van het geweld aan Indonesische kant. Want ook dat was niet mis; majoor Isman gaf het in 1950 volmondig toe. Oostindie zegt in zijn jongste boek dat „de dekolonisatieoorlog onderdeel was van de Indonesische Revolutie”. En, schrijft hij, „in die zin is de aandacht voor het Nederlandse militaire optreden, en in het bijzonder de Nederlandse oorlogsmisdaden, een eenzijdige ingang om een veel groter historisch proces te begrijpen” (p. 33). Limpach schrijft dat het geweld aan Indonesische kant „eveneens structureel” was . „De TNI [het nationalistische leger] en de milities eisten voor hun strijd steun van de bevolking, waarbij zij extreme middelen inzetten om hun eisen kracht bij te zetten.” (p. 770) Op dat onderlinge Indonesische geweld gaat hij in zijn boek niet in.

Nationalisten stonden tegenover commu- nisten en radicale moslims; gewezen KNIL-ers tegenover door Japan getrainde officieren

Nederlandse soldaten die het oorlogsrecht schonden door kampongs plat te branden, krijgsgevangenen te martelen en ‘verdachte’ dorpsbewoners standrechtelijk te executeren opereerden niet in een vacuüm. Het land waarin zij verzeild waren, stond in vuur en vlam. Tijdens drieënhalf jaar Japanse bezetting waren honderdduizenden jongeren getraind voor de gewapende strijd. Zij geloofden heilig dat na vertrek van de Japanners oude profetieën zouden uitkomen en de vrijheid (merdeka) zou aanbreken. Toen Japan capituleerde, waren zij stuurloos, want oude gezagsstructuren waren bezweken. De proclamatie van de Republiek was de lont in een gigantisch kruitvat dat nationalistische leiders niet onder controle hadden.

In de Indonesische historiografie rust nog steeds een taboe op het (onderlinge) geweld van Indonesiërs tijdens de Revolutie. Die wordt steevast beschreven als een eensgezinde en heroïsche verzetsbeweging tegen Nederland, dat het onafhankelijke Indonesië weer in het koloniale gareel wilde dwingen. Toch weten we het een en ander over de duistere kanten van die Revolutie. Dankzij het werk van een beperkt aantal Westerse historici en van Indonesische schrijvers en journalisten die de vrijheid namen nuances aan te brengen in de officiële heldenverering.

We bekijken hieronder drie geweldsexplosies die door hen zijn beschreven.

1. Bersiap! (15.000 à 20.000 doden)

De opmaat tot de gewapende strijd, in de laatste maanden van 1945, was even bloedig als chaotisch. Japan had gecapituleerd, maar Java en Sumatra waren nog niet bezet door de geallieerden. In dat gezagsvacuüm moesten Japanse militairen voorlopig de orde handhaven en dat lukte nauwelijks. Er volgden golven van tomeloze agressie van vaak alleen met gepunte bamboestokken en kapmessen uitgeruste Indonesische jongeren tegen Nederlanders in Japanse interneringskampen, gewezen Nederlandse krijgsgevangenen, Indo-Europeanen (Indo’s golden als pro-Nederlands), Molukkers en etnische Chinezen.

Dezelfde jongeren die in november 1945 vochten tegen de Britten hadden zich een paar weken eerder gruwelijk misdragen. Toen de Japanse marinecommandant zijn wapenarsenalen had opengesteld voor Indonesische strijdgroepen, begonnen zij op 15 oktober gewezen Nederlandse krijgsgevangen en geïnterneerden op te pakken. Die waren net bevrijd uit de kampen en werden nu de Kalisosokgevangenis van Surabaya in geslagen. Van de 3.000 mannen die werden samengedreven raakten er 2.000 gewond en lieten 400 het leven. Op 28 oktober werd een konvooi van Britse legertrucks met 400 Europese vrouwen en kinderen met mitrailleurs en handgranaten bestookt door strijdgroepen. Er viel een onbekend aantal doden onder de Britten en hun beschermelingen.

Deze bloedige episode, bekend geworden als Bersiap! (Indonesisch voor ‘wees paraat’), ging door toen de eerste Britse troepen waren geland. In Indonesische geschiedenisboeken staat er niets over en geen Indonesiër heeft van de Bersiap gehoord. ‘Paraat waarvoor?’ is steevast de reactie. In Nederland verscheen in 2005 een inventarisatie van geweldsincidenten op Java en Sumatra tot maart 1946, onder de titel Bersiap – Opstand in het paradijs. Auteur is de Indische Nederlander Herman Bussemaker. Hij houdt het aantal Nederlandse, Indo-Europese en Ambonese slachtoffers op 20.000. Limpach kiest voor de schatting van het Nederlands Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies (NIOD): 5.500. Hij zegt er wel bij dat hier nog eens 10.000 etnische Chinezen bij moeten worden opgeteld.

2. Opstand in Madiun (8.000 à 10.000 doden)

Het zou vier jaar en twee ‘Politionele Acties’ duren voordat Nederland zich neerlegde bij de feiten. In die revolutionaire jaren was het nationalistische kamp diep verdeeld. Soekarno en Hatta, die hadden samengewerkt met de Japanners, stonden tegenover principiële antifascisten. Voorstanders van diplomatie stonden tegenover mannen-van-actie. Gewezen KNIL-mannen stonden tegenover door Japan getrainde officieren; nationalistische milities tegenover strijdgroepen van communisten en radicale moslims; Moskougezinden tegenover ‘nationale communisten’. Zij bonden even vaak de strijd aan met elkaar als met de Nederlanders en het aantal slachtoffers was navenant.

In de Indonesische historiografie rust nog steeds taboe op het geweld van Indonesiërs

Na de val, onder druk van islamitische en nationalistische partijen, van het linkse kabinet-Sjarifoeddin en de vorming van het kabinet-Hatta in januari 1948 laaide de partijstrijd in het republikeinse kamp op. In september 1948 escaleerde die tot een regelrechte burgeroorlog. Die is beschreven door de Indonesische activist Soe Hok Gie (1942-1969) in zijn doctoraalscriptie Orang-orang di persimpangan kiri jalan (Mensen die op de tweesprong links afslaan,1969) en in de monumentale biografie van de ‘nationale communist’ Tan Malaka door Harry Poeze (2007).

De Republiek had zijn hoofdstad gevestigd in Yogyakarta, Midden-Java. Na de Eerste Politionele Actie in 1947 was een bestandslijn getrokken tussen door Nederland bezet gebied en de Republiek. Overeenkomstig de Renville-overeenkomst van 17 januari 1948 werd het West-Javaanse onderdeel van het nationalistische leger (TNI), de Siliwangi Divisie, teruggetrokken achter de bestandslijn en gelegerd in Solo, een stad in Midden-Java. Siliwangi, onder bevel van de gewezen KNIL-vaandrig Abdul Haris Nasution, was gebeten op alles wat links was. Begin september zochten zijn officieren ruzie met de Midden-Javaanse Senopati Divisie, die veel aanhangers telde van het door de communistische partij (PKI) gedomineerde Volksfront (FDR). Senopati-officieren werden ontvoerd en vermoord, het kwam tot schietpartijen en het zou zijn uitgedraaid op een veldslag als Soekarno de oud-marechaussee Gatot Subroto niet had benoemd tot militair gouverneur. Hij gaf de schuld van de schermutselingen aan de Senopati Divisie, die zich daarop terugtrok uit Solo.

In dit gespannen klimaat keerde in augustus 1948, na ruim twintig jaar ballingschap in Moskou, de communistische hardliner Muso terug naar Indonesië. Hij had instructies van de Kominform die behelsden dat de PKI partij moest kiezen in de zojuist uitgebroken Koude Oorlog. Onderhandelingen met ‘het imperialistische kamp’- lees: Nederland en de Amerikaanse bemiddelaars – waren voortaan uit den boze. Muso nam de leiding van de PKI en maakte begin september een tournee langs steden in Midden- en Oost-Java waar hij opzwepende redevoeringen hield. Arbeiders en boeren moesten zich opmaken voor een guerrilla en een ‘politiek van verschroeide aarde’. Gezien de gebeurtenissen in Solo vond Muso gehoor bij linkse milities, die rekening hielden met een offensief van Siliwangi.

Op 18 september nam het Volksfront gewapenderhand het bestuur over in de Oost-Javaanse stad Madiun. FDR-milities ontwapenden de militaire politie en plaatselijke eenheden van Siliwangi. De Socialistische Jeugd, onderdeel van het Volksfront, deed hetzelfde in omliggende stadjes en dorpen. De vlag van de Republiek werd verscheurd en vervangen door de banier met hamer en sikkel; portretten van Soekarno door die van Muso. Onderzoekers zijn het er niet over eens of ‘Madiun’ de opmaat was voor een opstand tegen de Republiek of een lokale, preventieve maatregel om een actie van Siliwangi voor te zijn. Muso’s ambities waren duidelijk; hij wilde een Sovjet-republiek, maar deelnemers aan de actie waren in veel gevallen niet bereid de Republikeinse regering af te vallen.

Ooggetuigen vertelden gruwelverhalen over moordpartijen onder aanhangers van de islamitische partij Masyumi en de nationalistische PNI in Madiun en omgeving. Soemarsono, FDR-leider in Madiun en initiatiefnemer van de coup, vertelde later dat het nieuwe bestuur buiten Madiun geen controle had en dat ‘de massa woest was en erop los sloeg’. Slachtoffers waren lokale bestuurders, politiemensen, religieuze voormannen, Masyumi- en PNI-leiders.

Niet minder bloedig was het antwoord van Siliwangi, die opdracht kreeg de opstand in Madiun neer te slaan. Daarbij werd een meedogenloze zuivering uitgevoerd onder alles wat links was in Madiun en omgeving. De dichter Kuslan Budiman (geboren in 1935) beschreef in zijn autobiografische roman Bendera itu masih berkibar (Die vlag wappert nog, 2005) hoe de TNI huishield in zijn geboortestadje Maospati, tien kilometer van Madiun. Wie verdacht werd van sympathieën met het verdreven FDR-bewind werd opgepakt. In de plaatselijke gevangenis werd systematisch gemarteld. Kuslan kon dat zien en horen vanuit een boom naast de gevangenis. Hij zag hoe zeven mannen hun eigen graf moesten graven en werden doodgeschoten. Linkse legereenheden en milities ontvluchtten Madiun, achtervolgd door Siliwangi. Muso werd op de vlucht gepakt en doodgeschoten. Tientallen andere PKI-leiders werden ingerekend en geëxecuteerd. Oud-premier Amir Sjarifoeddin werd aangehouden en vastgezet in Yogyakarta. Op 19 december 1948 landden parachutisten van het Nederlandse Korps Speciale Troepen (KST) op het vliegveld van Yogya en begon de ‘Tweede Politionele Actie’. Sjarifoeddin en andere gevangenen werden nog diezelfde dag doodgeschoten door TNI-troepen.

Hoeveel slachtoffers ‘Madiun’ heeft geëist is onbekend. De meest betrouwbare schattingen variëren van acht- tot tienduizend, zowel onder TNI, opstandelingen als de gewone bevolking.

3. Revolutie in Atjeh (3.000 doden)

In Atjeh, op de noordpunt van Sumatra, had de Indonesische Revolutie een bijzonder, maar niet minder gewelddadig verloop. Britse en Nederlandse troepen kwamen na de Japanse capitulatie niet verder dan Medan, hoofdplaats van de vooroorlogse residentie Sumatra’s Oostkust. Atjeh was het eerste deel van de archipel dat zich bevrijdde van koloniaal bestuur.

Daarbij kwam het tot een gewelddadige confrontatie tussen nationalistische jongeren, aangevoerd door islamitische schriftgeleerden (ulama), en een deel van de oude adel (ulèëbalang), die voor de oorlog had samengewerkt met de Nederlanders. Deze episode is beschreven door de historicus Anthony Reid in het boek The Blood of the People (1979) en door zijn Atjehse collega Nazaruddin Sjamsuddin in Revolusi di Serambi Mekah (Revolutie op de Veranda van Mekka, 1999).

Na de capitulatie trokken de Japanse troepen in Atjeh zich terug op het eilandje Sabang en op de olievelden aan Sumatra’s oostkust. In Kotaradja (nu Banda Aceh) vormden nationalisten, linkse partijen en ulama een voorlopig residentiebestuur. In de steden en dorpen van Atjeh werd in de loop van oktober 1945 de rood-witte vlag van de Republiek gehesen. Alleen in het noordoostelijke regentschap Pidie leidde dit tot problemen. In de steden Sigli en Lammeulo verboden adellijke bestuurders de nieuwe vlag te hijsen. Zij maakten zich zorgen over hun positie onder de Republiek en wachtten op een landing van Nederlandse troepen (die er nooit zou komen) om de vooroorlogse orde in Atjeh, en daarmee de machtspositie van de bestuursadel, te herstellen. Een aantal ulèëbalang in Pidie besloot een militie te vormen ‘ter beveiliging van de openbare orde’ en die begon nationalistische jongeren op te pakken. Toen het bestuur in Kotaradja aarzelde om in te grijpen, stuurde de PUSA, een machtig verbond van ulama, eigen troepen, aangevoerd door Husin Al-Mudjahid, naar Pidie. Zij bonden in januari 1946 de strijd aan met de militie van de lokale adel. Die laatste legde het al snel af tegen de mujahidin die deze ‘vijanden van de staat en het geloof’ opjoegen tot in de bergen. De PUSA-militie en door hen aangevuurde boeren vermoordden 23 van de 25 adellijke bestuurders in Pidie.

Elders in Atjeh hadden ulèëbalang zich uitgesproken vóór de Republiek, maar de gebeurtenissen in Pidie wekten twijfel aan hun loyaliteit. In de weken en maanden die volgden kwam het in heel Atjeh tot uitbarstingen van volkswoede tegen ambtsedelen, hun familieleden en volgelingen. Daarbij werden nogal eens persoonlijke rekeningen vereffend. Sjamsuddin citeert een ooggetuige: „Tallozen vonden de dood, zonder gebed, zonder te worden gewassen, zelfs zonder te worden begraven’. Deze ‘sociale revolutie’, zoals hij is gaan heten, eiste naar schatting 3.000 levens.

Onderzoek?

Ook na de val van generaal-president Soeharto in 1998 hield de hoofdstroom van Indonesische historici vast aan het beeld van de Revolutie als eensgezind optreden van heldhaftige Indonesische pejuang (vrijheidstrijders). In schoolboeken wordt niet gerept van aantallen dodelijke slachtoffers, of die nu vielen door Nederlandse of door Indonesische hand. Van officiële zijde wordt ook niet gehamerd op Nederlandse gewelddaden in de jaren 1945-1950, want wie kaatst moet de bal verwachten. Waarom lijken uit de kast halen? De Indonesiërs hebben immers aan het langste eind getrokken.

Toch ontstaat de laatste jaren onder jonge Indonesiërs steeds meer behoefte om deze gelijkgeschakelde versie van hun geschiedenis kritisch tegen het licht te houden. Vooral als het gaat over heftige episodes, zoals de communistenmoord van 1965-’66 en – jawel – de Revolutie. Serieus onderzoek naar het gedrag van de eigen veteranen, zoals Oostindie en Limpach deden met Nederlandse oud-strijders, vereist dat de archieven van het Indonesische leger (TNI) in Bandung opengaan voor kritische onderzoekers. Dat is niet zo eenvoudig. De TNI is geboren in de Revolutie en zijn heldenstatus maakt deel uit van de oorsprongsmythe van de Republiek Indonesië.