Opinie

De smiley is de betonrot in onze ironie

Ironie wordt steeds minder herkend, merkt . „Hoe vet moet een knipoog zijn om nog te worden opgemerkt? In de gaarkeukens van opiniërend Nederland wemelt het van onbegrepen ironie.”

Een ingezonden briefje, zaterdag 1 oktober, in het Dagblad van het Noorden, over de schandalen rond studentenvereniging Vindicat: „Vrouwen hebben het in hun loopbaan lastiger dan mannen en dus passen extra vernederingen, zoals de bangalijst. Als een meisje daar goed doorheen komt, laat ze haar kracht zien. (…) Hoe zwaarder de ontgroening, hoe beter. Risico is daaraan inherent. Af en toe een dode of gewonde is jammer, maar maakt ook duidelijk dat het menens is.”

Woedend deelden lezers dit epistel op internet. Slechts een enkeling kwam op de gedachte dat hier wellicht sprake was van enige ironie.

Hoe vet moet een knipoog zijn om nog te worden opgemerkt? In de gaarkeukens van opiniërend Nederland wemelt het van onbegrepen ironie. Ik ben er de afgelopen tijd op gaan letten en heb wat treffende gevallen verzameld. Vooral op sociale media, waar de zinnen los van hun context als confetti worden uitgestrooid, overheerst de neiging alles letterlijk te nemen zolang er geen smiley bij staat.

Uit de Volkskrant: Jean-Pierre Geelen neemt in cafetaria De Vette Hap „de bladen” door. Die „waar je thuis niet mee kunt aankomen” welteverstaan: vol ondraaglijk lichte interviews met BN’ers, glossy foto’s en vuige roddels. Katja Schuurman was not amused op Twitter. Dat blad waar je thuis niet mee kon aankomen, en dat haar portretteerde, dat was wel mooi het Volkskrant-magazine! Eh…inderdaad, zoals het hele stukje al onze voortreffelijke kwaliteitskranten op de hak neemt.

Waar komt die ironieblindheid ineens vandaan? Is het kenmerkend voor de tijdgeest? Zijn wij zo ironieloos geworden? Dat hangt er vanaf wie je het vraagt.

Vier jaar terug publiceerde The New York Times een spraakmakend essay van Christy Wampore: How To Live Without Irony?. Wampore, literatuurdocente aan Princeton, zag ironie als de grondhouding van een nieuwe generatie. Vooral bij hipsters, een soort „levende citaten”, constateerde ze die zelfverdedigende houding, een vlucht voor verantwoordelijkheden, een ironie die alles heeft doordrenkt: „It has leaked from the realm of rhetoric into life itself.”

Een second opinion naast Wampores diagnose lijkt me gewenst. Niet alleen is het twijfelachtig of haar observaties bij één subcultuur nu zo kenmerkend zijn voor een hele generatie, ook zie je juist bij die hipsters een sterke hang naar biologisch eten, zelfgeknutselde spullen en aanverwante nostalgie naar ‘authenticiteit’. En dát fenomeen beperkt zich nu juist niet tot de hipster.

Deze tijd lijkt me er niet een van schouderophalend relativisme, niet van een lacherig anything goes. Het is vooral: ónze zaak goes. En dan schieten we propjes naar elkaar vanuit onze verkavelde betwetersveldjes. Links, rechts, populist, veganist, elite en volk, autoch- en allochtoon, white privelige-leden en black-life-matters-kameraden, voorstanders van Zwarte of van Witte Piet: het enige wat ze werkelijk met elkaar delen is hun rabiate afkeer van ironie. Ze weten waar ze staan en zijn niet van plan daar dubbelzinnig over te doen. Sterker nog, we kunnen het niet langer velen als iemand niet onomwonden duidelijk maakt ‘waar hij staat’: de tirannie van het letterlijke.

Ironie, uit het Griekse eirooneia, betekent letterlijk geveinsde onwetendheid. Doen alsof je neus bloedt en tegelijkertijd drommels goed weten dat je iets anders zegt dan je beweert. Dat spelletje werkt alleen als de ander dat doorziet, en daartoe verstopt de ironicus subtiele signalen in zijn tekst.

Internet, de grote versnipperaar, vermaalt elk betoog tot confetti zonder context, terwijl juist in die context vaak die signalen verstopt zitten die zeggen dat we het met een knipoog moeten lezen.

Ironie is een flirt met de lezer: het dubbelzinnige signaal. Ironie glimlacht samenzweerderig: wij begrijpen elkaar, wij doorzien de code. In die zin is het een retorisch foefje, om betrokkenheid bij je tekst te creëren, de lezer medeplichtig te maken. Die moet natuurlijk altijd de betekenissen zelf construeren, de beelden uit zijn eigen fantasie projecteren, maar door subtiel weg te laten of door de betekenis in een paar lagen onder de letterlijke in te graven, heeft die lezer nog meer het gevoel de tekst zélf te schrijven

Die wordt zo nog sterker een product van zijn eigen verbeelding of redenering, en dus zal hij eerder geneigd zijn er in te geloven. Zolang de tekens worden opgepikt althans, en nu dat minder het geval is, strandt veel ironie als een onbeantwoorde avance.

Wat doe je ertegen? De knipogen vetter maken? Sommigen snakken naar een ironieteken, maar de ironie wil dat zo’n teken allang stilzwijgend binnen is geslopen: de smiley. En die is nu juist de betonrot in ons ironisch vermogen.

Schrijver Henk van Straten citeert op Twitter Stephen King, die zich een fan van Herman Koch verklaart: „Haha, ene Stephen springt op de Herman Koch hype. Kent Jiskefet waarschijnlijk niet eens. Haha, nepper, sukkel.” Sommigen reageerden oprecht verontwaardigd. Van Straten: „Had ik een knipoog-emoji moeten toevoegen?”

De knipoog slaat dubbelzinnigheid plat tot iets eenduidigs. Vette emoticons hebben de talige finesses verjaagd. Het punt dat de snelle internetschrijver moet maken is uitgebeend tot soundbite. De omweg van de ironie is tijdverspilling voor wie de waarheid in acht woorden kan uitschreeuwen. Zo verwerd de subtiele flirt tot obscene balts.

We lijken ironie alleen nog maar te accepteren als die duidelijk gemarkeerd is. De Speld, Arjan Lubach en LuckyTV zijn mateloos populair, maar probeer maar eens satire te bedrijven buiten die zwaar door markering beveiligde ironische enclaves. Probeer maar eens een ironisch zinnetje te sms’en zonder ;-) erachter te typen. Dat kost je vrienden. En misschien zelfs je relatie.

Maar ironie is veel meer dan ‘lekker weertje’ zeggen als het stortregent. Ironie is niet per se het omgekeerde zeggen van wat je bedoelt. Ironie hoeft niet eens altijd onwaar of ongemeend te zijn.

In The Rhetoric of Irony (1974) onderscheidt criticus Wayne Booth ‘stabiele’ versus ‘instabiele’ ironie. Bij de eerste is de bedoeling van de auteur duidelijk (‘lekker weertje, hè’), maar complexer is het bij die instabiele ironie, waar het niet per se helder is ‘waar de auteur staat’.

De oude ‘romantische ironie’ is daar een voorbeeld van. Gerard Reve: „Zelfmoord? Ach, op mijn leeftijd loont het eigenlijk de moeite niet meer.” Oscar Wilde: „Philanthropic people lose all sense of humanity.”

Als stabiele ironie al slecht herkend wordt, hoe moet het dan met de nog complexere vormen?

Toen Halina Reijn een volkswoede over zich afriep in een AD-column over „de starende zeekoeien die traag voorbij zeilen op de loopband van de luchthaven”, twitterde ze daags erna: „Lieve mensen, niets dan knipogen, lichtheid en ironie bedoel ik de wereld in te slingeren.”

Bedoelde ze dan niet te zeggen dat die vliegveldstaarders dik en schaamteloos waren? O vast, dat ook. En tegelijkertijd bekritiseert ze haar eigen gevoeligheid voor die blikken en onderzoekt ze, met de nodige tongue-in-cheek, de tol van de roem en het betaalde tegenover het ‘onbetaalde’ staren.

Het is een ironisch gekruide tekst – die alle personages relativeert, inclusief de vertelster zelf. Hetzelfde geldt voor een veelbesproken interview in deze krant, met de dieetdames van The Green Happiness. Dat zou veel te kritiekloos zijn, maar het gekozen register van verslaggeefster Rinskje Koelewijn getuigt toch echt wel van een vrolijke distantie: „En u dacht dat u goed bezig was? Nou, dat bent u niet. Niet echt. U kunt zich veel gezonder, energieker en gelukkiger eten. Als u ánders eet. Beter.”

In een ironische tekst zijn de uiteindelijke betekenis en het morele oordeel opgeschort, uitgesteld, en zo ontstaat er, tussen het teken en de betekenis, een ruimte waar andere wetten gelden, als op een podium.

Een ‘tovercirkel’ zoals Johan Huizinga die ‘speelruimten’ zo mooi noemt in Homo ludens (1938): tempels, theaters, sportarena’s, waar de normale wetten tijdelijk buiten werking zijn gezet.

Ironie trekt toverkringen in de taal. Het is een bijna fysieke sensatie: de erotiek van de talige meerstemmigheid, met haar haast tactiele magie.

Vooruit, hoor ik u denken, dat is allemaal mooi en aardig, maar heeft die Christy Wampore intussen toch niet gelijk? Verschanst de ironicus zich niet in zijn comfortabele tovercirkeltjes?

Welnee, ironie en engagement sluiten elkaar allerminst uit. Ik wil het zelfs omkeren: juist wie ondubbelzinnig zijn stellingen poneert ontbreekt het aan engagement. Juist de ideologische verstarring laat geen lucht voor de relativerende verkenning van alle standpunten. De ironielozen doen geen recht aan de inherente tegenstrijdigheden.

Echt zeker weet ik alleen dit: als we de subtiliteit van de ironische toonzetting missen, beroven we ons taalinstrument van zijn gulle meerstemmigheid. Het is alsof we een concertvleugel nog maar met één vingertje bespelen.