Recensie

De nieuwe Koch voelt soms als de actueelste roman aller tijden

Herman Koch

Je hebt bij de nieuwe Koch af en toe het gevoel de actueelste roman aller tijden in handen te hebben. Een klassieke, witte man komt tot inkeer. Geloven we dat?

Tekening Paul van der Steen.

De burgemeester van Amsterdam is een klootzak. Meteen al: Robert Walter begint zijn relaas in De greppel met een omstandige uitleg dat zijn vrouw en dochter in dit verhaal ‘schuilnamen’ hebben gekregen, omdat hun echte namen ‘niet van hier’ zijn. En dan zouden wij, met onze vooroordelen, maar dingen gaan denken over haar, over hen: ‘Mensen verbinden van alles aan landen van herkomst.’

Ondertussen is de burgemeester geen haar beter, maar wel gewiekster: hij houdt het bij een vaag idee van de windrichting van dat land van herkomst, maar lepelt er wel het ene racistische vooroordeel na het andere over op. Criminaliteit, armoede, luiheid, onbetrouwbaarheid, irrationaliteit. En hij vergoelijkt het: ‘Ik heb mijn vooroordelen altijd gekoesterd, als iets wat onlosmakelijk met mijzelf is verbonden.’ Maar in het openbaar verbergt hij ze. Een jaar eerder heette hij in het zaterdagse magazine van de stadskrant nog ‘de menselijke burgemeester’. Hij verwoordt in elk geval de typische, in grote aantallen onderbuiken heersende vooroordelen – als Robert Walter geen fictieve burgemeester was zou hij er publiekelijk voor afgestraft zijn, zeker als middelbare witte man.

Nu gebruikt Herman Koch ze om onze blik meteen te richten op Walters vooroordelen – die het eigenlijke onderwerp van zijn nieuwe roman De greppel zijn. In veel opzichten begeeft Koch zich met zo’n hoofdpersonage op bekend terrein: in zijn succesboeken Het diner (2009) en Zomerhuis met zwembad (2011) ging het over een leraar, een huisarts, ook al mannen die de dienst uitmaken. De greppel is weer zo’n Great Watergraafsmeerian Novel, de burgemeester hoort net zo goed tot de elitaire stedelijke elite. Hij is er die typische mannelijke variant van, een man die wel weet hoe het zit, z’n mening klaar heeft, die schaamteloos extrapoleert en als de Juiste Mening beschouwt. Meer nog dan een Eberhard van der Laan is Kochs burgemeester een Jan Roos in het diepst van zijn gedachten.

En hij weet, nee denkt, nee vermoedt dat zijn vrouw vreemdgaat. In de marge van de gemeentelijke nieuwjaarsreceptie ziet hij zijn echtgenote wel érg hard lachen om Maarten van Hoogstraten, de wethouder van milieu, en die waarneming groeit uit tot de paranoïde rode draad van de roman. Alles wordt een teken van die vermoede affaire, in het hoofd van de burgemeester, die alles wat hij meemaakt uitentreuren afdraait in gedachten, speurend, vergeefs, tot hij zelfs overtuigd raakt van de bewijskracht van ‘juist de afwezigheid van enig zichtbaar teken of signaal’. Het zorgt voor een constante spanning in de roman, op het pesterige af, zoals Koch wel vaker doet: traag, uitstellend schrijven. Tergen kan hij als de beste.

Windmolens

Zonder dat er weinig gebeurt, trouwens. Er komt in De greppel een lange rij actuele onderwerpen langs, want Walter mag ons graag van zijn mening op de hoogte stellen. Over windmolens bijvoorbeeld – het paradepaardje van wethouder Van Hoogstraten en volgens Walter uitvloeisel van ‘het fascisme met het menselijke gezicht’. Want wie durft er tégen windenergie te zijn?

De burgemeester monkelt ook over de afstotelijkheid van de huidige premier en de koning, mijmert over het gebrek aan charisma van François Hollande, over diens jong ogende vriendin, en dan beland je al gauw bij seksistische kleedkamerpraat, ook al een onhebbelijkheid van de klootzak-burgemeester, ook weer met charme omkleed.

Maar ook de vuurwapendiscussie komt langs, de drukte en de demografie van het Amsterdamse stadscentrum, de discussie over euthanasie en ‘voltooid leven’. De hoogbejaarde ouders van de burgemeester maken plannen om samen uit het leven te stappen, en zo komt het wel heel dichtbij – je hebt af en toe het gevoel de actueelste roman aller tijden in handen te hebben.

Juist in die levenseinde-discussie openbaart zich iets van verandering in het gemoed van de burgemeester: hij merkt dat hij er niets over te zeggen heeft. Zo komen mondjesmaat steeds meer zekerheden van de burgemeester ter discussie te staan – je kunt immers niet eeuwig volhouden dat je vrouw iets voor je verbergt, als de concrete aanwijzing daarvoor maar uitblijft.

In dat verlies van zekerheden en die afstraffing van vooroordelen zit ook de ontwikkeling van de roman, en datgene wat De greppel thematisch toevoegt aan de vergelijkbare vorige romans van Koch. Het is in die zin juist een voortzetting van Geachte heer M. (2014), dat leek te beginnen als misdaadroman, maar dat je uiteindelijk meer een anti-thriller moest noemen, de nette plot werd ingeruild voor de lossere eindjes, de zekerheden voor het onvermijdelijke niet-weten.

Overspelparanoia

Minder sterk is de manier waarop Walter die Werdegang doormaakt. Een van de doorslaggevende factoren is wat zijn beste jeugdvriend Bernhard tegen hem zegt. Doorgaans is hij een toonbeeld van rationaliteit, als internationaal vermaard sterrenkundige, maar door persoonlijke omstandigheden gaat Bernhard plots bepleiten dat hun denken moet veranderen. ‘We moeten niet langer steeds verder weg willen reizen, maar uitsluitend nog naar binnen. We moeten het tot nu toe ondenkbare willen denken’, zegt hij: de grenzen van ons waarnemingsvermogen zouden niet ook ons denken moeten begrenzen. Daar kan Walter, met zijn vooroordelen en zijn gefixeerde meningen, natuurlijk wel wat van leren – en dat doet hij in stilte, zijn oordeel blijft vrijwel onuitgesproken.

Wat is ervoor nodig om een vastgeroeste mening te laten veranderen? Het denken van een witte man met macht, begin zestig, die het geschopt heeft tot burgemeester van Amsterdam?

Veel, lijkt Kochs overvolle verhaal te suggereren: Walter krijgt het zwaar te verduren. Nog bovenop de overspelparanoia en de zelfeuthanasie-wens van zijn ouders, komt er een journaliste langs die iets fataals wil onthullen. Maar echte afstraffing (voor die racistische vooroordelen, bijvoorbeeld) blijft uit. En pas als er herhaaldelijk een lijster opduikt die hij bovennatuurlijke betekenis toedicht, komt Walter tot inkeer. Dat voelt in de roman als een toevlucht, zoals de kennelijk noodzakelijke veelheid aan actualiteiten ook wat onmachtig aanvoelt.

Voor een roman die zich zo nadrukkelijk in de herkenbare realiteit afspeelt, is er wel veel verbeelding nodig om de koerswijziging van Walter te geloven. De bedoelingen van De greppel mogen dan goed en lovenswaardig zijn – laten we ons denken niet laten begrenzen! – maar helemaal overtuigen doen ze niet. Of is dat een vooroordeel over wat een roman moet doen?