Cultuur

Interview

Interview

Maarten van der Kamp

Deze fotograaf laat de lelijke kant zien van het straatleven

Boek ‘Fotografie van mooie mensen is er zat’, vindt Maarten van der Kamp. Hij heeft de lelijke kant van het leven gezien en deinst er in zijn straatfotografie ook niet voor terug.

‘Ik stond al negen jaar kurkdroog, afgezien van Nieuwjaarsdag dan. Ik dacht dat ik het inmiddels wel had geleerd, en toen was er ineens toch een uitglijder.”

Fotograaf Maarten van der Kamp (35), die vandaag zijn fotoboek De Amsterdammers presenteert, had het een maand geleden even heel moeilijk. Zonder dat hij het van tevoren had zien aankomen, greep hij naar de fles. „De spanning werd me te veel. Mijn foto’s werden eindelijk uitgegeven. Ik was euforisch, wist even niet meer waar ik het moest zoeken. Dus ging ik drinken, een paar weken lang, tot ik in de gaten kreeg dat ik er echt mee moest kappen.” Een vriendin bood hulp. „Bij haar heb ik drie dagen en nachten liggen rillen en zweten, toen was het er uit.’’

Maarten van der Kamp

Maarten van der Kamp

Maarten van der Kamp doet er niet geheimzinnig over. Ja, hij heeft een Charles Bukowski-imago en inderdaad, hij is een manisch type. Maar sinds hij in 2007 de fles heeft vervangen voor de camera, is hij een stuk wijzer geworden. Daarom begrijpt hij die recente terugval ook niet zo goed. „Ik heb er lang over nagedacht. Toen ik ooit begon met drinken, was ik nog heel jong. Nu ben ik precies twee keer zo oud, ik heb wel het een en ander geleerd, toch overkomt het me weer. Misschien heeft het toch met faalangst te maken. Tegen het advies van iedereen in, ben ik op straat gaan fotograferen.” Bijna dagelijks zwerft hij rond in de stad met een camera. Het helpt hem zijn hoofd helder te houden. Het maakt hem trots, dat zijn foto’s nu worden gepubliceerd. „Ik heb heus wel een hoge pet op van mezelf, maar het kwam er nooit uit, ik maakte nooit iets af en was daardoor voortdurend gefrustreerd.”

Dat hij in 2000 begon met drinken, had te maken met een te snelle carrierèstart. Niet als fotograaf, maar als schrijver. „Op mijn zestiende won ik voor een essay op school de Kunstbende-prijs. Het jaar erop kreeg ik een column bij dagblad Trouw.” Halverwege dat jaar werd hij ook door (voormalig) uitgeverij Vassallucci benaderd om een roman te schrijven. „Ik las eigenlijk nooit een krant of boek, maar ik dacht: ‘oké, dit doe ik dus’.” Het ging hem allemaal soepeltjes af. „Niemand veranderde ooit iets aan mijn columns, op de hoofdstukken voor mijn roman kreeg ik ook nooit commentaar.”

Twijfelen aan alles

Totdat er ineens een e-mail van de uitgeverij kwam. „Een redacteur schreef: ‘leuke, onderhoudende teksten, maar ik mis een verhaallijn’. Dat kwam hard aan. Ineens dacht ik: ‘help, het gaat dus niet vanzelf.’ Ik begon aan alles te twijfelen. Die roman heb ik ook nooit meer afgemaakt.” Hij was 17 toen hij begon met drinken. Een paar biertjes per dag leek aanvankelijk onschuldig, maar al snel werd het meer. Veel meer. „Als ik drink, is het ook alleen dat. Alle dagen zijn ermee gevuld. Vanaf het moment dat ik opsta, tot ik ’s avonds omval. In die periode wilde ik ook altijd dat er in de avond in de ijskast minstens vier halve literflessen bier zouden staan voor de volgende ochtend. Als er geen drank was, lag ik soms een dag in foetushouding te wachten tot een vriend of iemand anders me weer hielp aan wat geld voor meer drank.”

In die periode verhuisde hij regelmatig. Van de woonboot van zijn vader naar vrienden waar hij in de woonkamer onder een kapot raam sliep. Daarna verbleef hij weer bij een andere vriend en tenslotte woonde hij samen met zijn vriendin. „We trouwden, maar in 2007 gingen we alweer uit elkaar. Mijn alcoholgebruik had daar zeker mee te maken.”

In dat jaar besloot hij op te houden met drinken. Hij begon als assistent bij verschillende fotografen te werken en met zijn camera door de binnenstad van Amsterdam te zwerven. „De manier waarop ik fotografeer is het beste te vergelijken met autorijden. Ik kijk vooruit, schat in wat iemand gaat doen, welke kant hij oploopt, wanneer hij opkijkt, of ik zelf snel naar links of rechts moet uitwijken. Als alles samenvalt, krijg je het juiste moment te pakken.”

Maarten van der Kamp

Maarten van der Kamp

Hij verdiepte zich meer in de basistechnieken van de fotografie en besloot in 2013 alleen nog maar analoog te werken. „Ik vind het fijn om mijn negatieven in een mapje te hebben. Daar kan iemand over duizend jaar nog een keer met een lampje doorheen schijnen.”

Van der Kamp richt zijn camera vaak op vreemde snuiters en figuren die aan de zelfkant van de samenleving leven. Iets wat hij misschien ook wel in zichzelf herkent. Hij zegt vooral geïnspireerd te zijn door de straatbeelden van fotografen als Gary Winogrand en Tony Ray-Jones.

Op veel van zijn zwart-witfoto’s – die hij in zijn eigen doka afdrukt – kijken mensen niet bepaald vrolijk in de camera. Dat komt ook doordat ze duidelijk in de gaten hebben dat er een foto van hen wordt genomen. Neem de vrouw die met een chagrijnige blik in een banaan bijt, of de oudere heer die met zijn wandelstok geërgerd de lens in blikt. Dat gewone, alledaagse leven op straat observeren, en dan net even de rare types eruit pikken, dat is ook wat Van der Kamp het leukst vindt. „Niet dat ik mensen altijd onflatteus neerzet, maar inderdaad, soms kijken ze best zuur. Daar kan je ook niet onderuit. Mensen worden soms ook boos. Het is me al een keer overkomen dat iemand probeerde mijn camera in de gracht te gooien. Dat maakte me best van streek, ik ben niet bepaald een held.”

Maarten van der Kamp

Maarten van der Kamp

Van der Elsken en Parr

De foto’s doen soms denken aan de Amsterdamse straatfotografie van Ed van der Elsken uit de jaren tachtig of de beelden die Martin Parr in diezelfde periode maakte van de Britse arbeidersklasse in New Brighton. Parr zette de mens vooral neer als een consumerend, onverschillig wild beest. „Ook de premier eet op straat wel eens een kaassoufflé. Fotografie van mooie mensen is er zat. Ik wil het omgekeerde laten zien. Ik ben geen type Ryan McGinley die met een compact camera zijn mooie vriendinnetjes fotografeert. Ik wil me afzetten tegen dat soort romantiek.”

Hij is dan ook benieuwd hoe mensen zullen reageren op zijn fotoboek, want vast niet iedereen zal blij zijn met het resultaat. „Het liefst leg ik iemand vast op het moment dat hij mij wel al ziet staan, maar nog net niet doorheeft dat er een foto wordt gemaakt. Dat valt niet altijd goed. Ik ben een keer door een vrouw achtervolgd. Ze liep vanaf de Oude Hoogstraat tot aan de Nieuwmarkt achter me aan terwijl ze bleef schreeuwen: ‘Hij heeft een foto van me genomen.’ Dat voelde echt heel ongemakkelijk, maar ja, ik heb natuurlijk wel de wet aan mijn kant. Je mag op de openbare weg alles fotograferen. Dus ik dacht: ‘Tja, ik val mensen lastig op straat, dan mag zij ook gek doen.”

De Amsterdammers, Maarten van der Kamp, uitgeverij Das Mag i.s.m. Top Notch, 24,95 euro.