In de Middeleeuwen was platteland niet gezonder dan stad

Geschiedenis

Vaak wordt de middeleeuwse stad gezien als een kerkhof vol ellende. Maar uit onderzoek van Hollandse en Zeeuwse botten blijkt dat helemaal niet.

Laatmiddeleeuwse tekening van een bakkerij.

Middeleeuwse stedelingen waren er fysiek niet slechter aan toe dan bewoners van het platteland. Met die conclusie ontkracht osteo-archeologe Rachel Schats het vaak gehoorde idee dat Middeleeuwse steden met hun slechte hygiëne en hogere bevolkingsdichtheid in feite een soort begraafplaatsen waren en dat het platteland in die tijd vergeleken daarbij een bijna idyllische plek was. Schats promoveerde donderdag aan de Universiteit Leiden

Een van de belangrijkste ontwikkelingen in de Late Middeleeuwen is stadsontwikkeling. „Mijn belangrijkste onderzoeksvraag was in hoeverre deze sociaal-economische ontwikkeling terug te vinden is in de botten van mensen uit die tijd”, zegt Schats.

Klaaskinderkerke

Ze onderzocht drie collecties met menselijke botten. De in 1983 opgegraven stoffelijke resten van 119 personen uit de West-Friese buurtschap Blokhuizen moesten het verhaal vertellen van het leven op het platteland in Holland tussen 1000 en 1200, dus van voor de urbanisatie. Uit het verdronken dorp Klaaskinderkerke op het Zeeuwse Schouwen-Duivenland stammen de 54 skeletten die in 1957 zijn opgegraven en informatie konden geven over hoe het er aan toeging in een landbouwdorpje tussen 1286 en 1570, toen er al volop sprake was van verstedelijking. Schats koos Alkmaar als voorbeeldstad, omdat het met 8000 inwoners eind zestiende eeuw een gemiddelde stad was. Verder was uit historische bronnen bekend dat de 189 skeletten van de begraafplaats van het Franciscanerklooster die in 2010 waren opgegraven een goed beeld gaven van een doorsnee van de stadsbevolking van die tijd.

Schats toetste de uitkomsten aan de data van vier andere middeleeuwse botcollecties die al eerder waren onderzocht, maar nooit met elkaar waren vergeleken. Het ging om botten uit twee dorpen (Vronen en Cruyskerke) en twee steden (Delft en Dordrecht). In totaal bestond de onderzoekscollectie uit 946 skeletten.

Botten geven over het algemeen weinig informatie over ziekten, maar er zijn wel enkele stress markers, zoals beschadigingen op de schedel, die duiden op ondervoeding of ziekten. Schats: „Het belangrijkste resultaat van mijn onderzoek is dat die stress markers gelijk verdeeld waren over plattelanders en stedelingen.”

Plattere scheenbeenderen

Wel ontdekte Schats enkele specifieke verschillen. De bewoners van Blokhuizen hadden plattere scheenbenen, een teken dat ze hun benen meer gebruikten en mobieler waren dan de bewoners van Alkmaar. Ook bleken de plattelanders, met name de vrouwen, vaker artrose te hebben in schouders, polsen of ellebogen. Schats: „Waarschijnlijk een gevolg van het zware boerenwerk, zoals melken en karnen, dat de plattelandsvrouwen nog moesten doen.”

Daar staat tegenover dat Schats op het platteland geen gevallen van tbc heeft gevonden, maar in de stad wel. „In Alkmaar waren er twee met aangetaste ribben en wervels.”

De stadse Alkmaarders hadden ook meer last van cariës, zegt Schats. „Het aanbod van koolhydraatrijk voedsel en fruit, suiker en honing was groter. Maar in geen van de drie botcollecties heb ik aanwijzingen voor ernstige voedingstekorten kunnen vinden.”