Interview

Maak muziek van wat u schrijft

Oek de Jong en P.F. Thomése

In hun nieuwe essaybundels laten beiden zien hoe hun werk tot stand is gekomen, maar ook hoe de lezer er mee om moet gaan. De Jong bewondert, Thomése is het met veel oneens, ook met zichzelf.

Foto ISTOCK

Als romanschrijver moet Oek de Jong (1952) telkens opnieuw ontdekt worden, want in een kleine veertig jaar schrijven leverde hij slechts vier romans af. Die romans zijn de onbetwiste kern van zijn kunst, maar in de romanloze intervallen verschijnen er ook andere publicaties van zijn hand: verhalen, novellen, essays en een dagboek (De wonderen van heilbot, 2006) die zich veelal laten lezen als sleutels tot dat roman-oeuvre. Nadat vier jaar geleden zijn vroege essays verschenen (Brieven aan een jonge Atlas) zijn recentere stukken nu gebundeld onder de titel Het visioen aan de binnenbaai.

Er is, streng geconstateerd, ‘niks nieuws’ in de bundeling te vinden. Die opent bijvoorbeeld met een lang stuk over de totstandkoming van zijn debuut Opwaaiende zomerjurken (2009) dat ook al opgenomen was in de ‘jubileum-editie’ van het boek. Maar het is fijn om alles eens zo achter elkaar te lezen.

Waar De Jong wars van is, en dat is volgens mij ook zijn grote kracht als romanschrijver, is elke vorm van cynisme jegens of relativering van de literatuur en de kunsten. Dat kun je al meteen aan de titel van dat openingsstuk zien: ‘De weg van de schrijver’ heet het, en zoiets leest natuurlijk alsof hij het over een soort heilige missie heeft. Ook voor de schrijvers en kunstenaars waar hij over schrijft, heeft hij vooral veel eerbied: voor Flaubert die met Reis door de Oriënt (1910) ‘zonder het te beseffen’ iets had geschreven ‘wat in die tijd in Europa volkomen nieuw was’ en de ‘heerlijk romige, schuimige, lobbige’ manchetknopen die Rembrandt aanbracht op het portret van Jan Six.

Toen Michel Houellebecq debuteerde met een lang essay over de Amerikaanse schrijver H.P. Lovecraft (1890-1937) voelde je de bewondering omslaan in een soort achterdocht. Houellebecq hield van Lovecrafts werk, maar moest bekennen dat daarin ook een xenofobisch motief te ontwaren was. Je was getuige van een held die van zijn voetstuk viel.

Zo’n prikkelend gegeven hoef je bij Oek de Jong niet te verwachten. In feite onderzoekt hij niet echt, hij informeert je over zijn voorkeuren en inzichten, en daarbij komt het onderzochte er altijd goed van af. Je steekt er wel wat van op, maar je uitdagen doen de stukken nu ook weer niet echt. Er kantelt niks, er is geen ergernis of kwajongensheid.

Neergang

Heel anders is de toon in de verzamelde stukken van P.F. Thomése (1958), die overigens ook allemaal al in andere media te lezen waren. Al op de eerste pagina loop je tegen formuleringen aan die je bij De Jong nooit tegen zal komen. ‘Mijn god’ [...] ‘Alsof er in onze cultuur geen einde komt aan de neergang’ [...] ‘Dat is meer iets voor Arthur Japin of hoe heten ze allemaal.’

Thomése is het met veel oneens, maar gelukkig ook vaak met zichzelf

Thomése is het hoofdschuddend met veel oneens. Maar gelukkig is hij dat ook vaak met zichzelf – een inzicht dat hij heeft gethematiseerd en dat je aan zou kunnen wijzen als de kern van de bundel. Nooit ophouden met denken, klinkt er in de stukken door, ook niet tegen jezelf in.

Verzameld nachtwerk is een impliciet pleidooi voor meerduidigheid en door je eigen gelijk heen blijven denken, helemaal omdat we volgens Thomése leven in een tijd waarin er juist zo veel mensen zijn die zogenaamd zeggen waar het op staat en niet open lijken te staan voor een weerwoord en dus een dialoog. Hij maakt gewag van de term ‘eindtaal’, wat misschien wel een linguïstische variant is op Becketts Endgame, een tekst waar de door Thomése bewonderde Theodor Adorno (1903-1969) zo door geboeid was.

Mozart

De Jong is een bekwaam bewonderaar, maar hij boeit nog het meest als hij over zijn eigen romans schrijft. Neem ‘Mozart voor schrijvers’, waarin hij uitlegt dat bepaalde scènes of zinnen in Hokwerda’s kind (2002) muzikaler werden met het toevoegen of weglaten van een woord.

Volgens Thomése moet niet alleen de schrijver, maar ook de lezer aan de bak om die muzikaliteit te bewerkstelligen. ‘En dit terwijl het lezen van een roman of gedicht het best vergeleken kan worden met hoe een dirigent zich over een partituur buigt. Hij moet er muziek van zien te maken. Zonder hem blijven de noten dood aan de balken hangen.’ Zie hier – in een tijd waarin Bob Dylan ons sowieso al doet nadenken over het muzikale in de literatuur – de verschillende standpunten van twee van onze belangrijkste schrijvers.