Recensie

Je kunt een man niet bijsnijden

Foto Dolf Verlinden

In 2013 eindigde Froukje van der Ploeg haar tweede dichtbundel, Zover, met een brief in versvorm. Die brief is gericht aan een zekere Imke, die in dezelfde bundel tweemaal eerder is aangeschreven. Ze is een hartsvriendin, getuige het laatste gedicht in Zover. Daarin vertelt Froukje dat ze weer alleen leeft. ‘De dichter die hier lang woonde / is weer waar ik ooit van hem hield // op een zolderkamer met zicht / op een toren’.

In Van der Ploegs nieuwe dichtbundel heeft Imke een eigen reeks. In vier brieven vat die reeks samen wat Dit is hoe het ging behelst. ‘Ken je het gevoel van een uitbesteed leven?’ schrijft Van der Ploeg (1974) in het tweede epistel. ‘Wij zijn slordig geworden in onze relaties.’ Die slordigheid is in het voorgaande dertigtal gedichten breed uitgemeten. De dichter is daarin niet altijd zelf het personage. Er is een overspelige vader, een moeder die haar dochter messen geeft omdat ze haar schoonzoon niet mag, een dementerende oma die van een nieuwe minnaar droomt, en op het sportveld staat de zijlijn vol koekoeksvaders.

Blijf dan maar eens onaangedaan. ‘Zoals mijn moeder’ heet het gedicht dat suggestief beschrijft hoe besmettelijk de vloek van het gezinsleven kan zijn. Vooral het slot is illusieloos. ‘We hebben de liefde zorgvuldig opgebouwd./ Geduld betracht, wijn aangereikt, sinaasappels naast/ de warme broden. Rituelen niet verward met gewoonte./ Je kunt een man niet bijsnijden.// Nu ik het weet is het dragelijk, mijn man/ veranderd in een verre bekende, ik snijd uien/ voor een soep en trek mijn huid/ van echtgenote aan.’

Dit is hoe het ging is geen vrolijk stemmende bundel. Van der Ploeg legt menselijke relaties drastisch op de snijtafel. Zoals in haar vorige werk bijt ze zich weer hevig vast in haar thematiek. De bundel is ook trefzeker ingedeeld. De titelreeks legt de kiemen van het misverstand tussen de seksen bloot. De tweede afdeling, ‘Scènes’, toont waar het allemaal toe leiden kan. In de reeks ‘Laatste bed’ blijken de dood en andere soorten afscheid geen reële onthechting. En ten slotte krijgt ‘Imke’ in vier brieven inzicht in de desillusies van haar hartsvriendin. Maar wat levert al die troosteloosheid soms indringende verzen op. ‘Kistje’ bijvoorbeeld:

Zolang ik het er niet over heb

gaat het eigenlijk goed. De mensen

ze vragen ernaar. Altijd maar weer

meeleven willen ze, ik zie het in hun ogen

alsof ik een tompouce ben en zij

zich vast schuldig voelen, slappe

thee en lapjes katoen

ik geef ze niets.

Het ligt begraven in de tuin in een kistje

het is klein maar dat weet ik niet

ik heb het nooit gezien. Soms

plant ik iets wat wel blijft leven.

Dan kijk ik even naar mijn man.

Hij schudt zijn hoofd.

Op die plek ligt ze niet.

Het idioom en de stijl van Froukje van der Ploeg zijn verraderlijk simpel. Maar met die eenvoudige middelen brengt ze het menselijk lot haarscherp in beeld. Haar noterende stijl biedt ruimte voor lucht, ook waar beklemming op de strot kon slaan. Haar poëzie streeft niet naar de grote K, maar ze overtuigt niettemin.

Haar observaties kunnen in één blik de volle driehonderdzestig graden beslaan. Dat desoriënteert soms, maar het leidt de lezersblik toch bovenal in onverwachte richting. In het titelgedicht van Dit is hoe het ging hanteert ze die kunstgreep. Daarin vertelt een kennis hoe er iemand over de vloer kwam bij ‘je’ moeder, ‘in de tijd in Den Haag / dat je vader volop vreemdging’. De dochter reageert ontwijkend: ‘zo veel weet ik niet / over mijn moeder […] // Dingen waren zo, de uren verdwenen / in diners, feestjes, in niets aan de hand’. Maar dan volgt het slotcouplet: ‘De koelte had geen uitweg/ Deuren sluiten riep de moeder, ze droeg/ handschoenen tot ver in de lente.’ Het lijkt een simpele schets van een kouwelijke vrouw, maar diezelfde regels benadrukken de afstand tussen moeder en dochter. Benadrukken, zeg ik, maar wel onnadrukkelijk. Daarin is Van der Ploeg zeer bedreven.