Recensie

Dit huis loopt mank, het licht verstapt zich

Idwer de la Parra

In zijn dichtbundel wordt de haast geweerd en de verstilling omarmd. Het intieme wordt overschaduwd door de buitenwereld die desalniettemin gevarieerd en aanhoudend onfeilbaar wordt neergezet.

Foto Istock

De alledaagse overdosis aan informatie maakt verstilling welkom. Idwer de la Parra’s debuut Grond is zo’n luwte waarin de haast geweerd wordt. Vanaf het eerste vers is duidelijk dat De la Parra’s taal niet die van de matige verwondering of stadse snelheid is, maar uitgaat van gedetailleerde scherpte:

De bazeldijk is lang. De lengte staat gelijk

aan de afstand tussen mijn oren. Inertie van schapen,

kauwend op denkend land. Greppels die

aaneengeschakeld lege kruizen vormen.

In deze strofe is te zien hoe hij te werk gaat. De la Parra (1977) verbindt diverse observaties met elkaar. Zonder uit te weiden behoudt hij focus. Ongewone combinaties als ‘kauwend denkend land’ en ‘lege kruizen’ maken de waarnemingen nog indringender. Het resultaat is altijd een klein gedicht dat direct tot de verbeelding spreekt, maar zich niet goed meer laat plaatsen zodra je beter gaat kijken wat er nu eigenlijk staat. In bovenstaande strofe is bijvoorbeeld de lijn tussen eindigheid en onveranderlijkheid moeilijk te trekken.

De poëzie is ambachtelijk en gevarieerd. Bekendere beelden (zoals ‘Dit huis loopt mank, het licht / verstapt zich ’s ochtends’) wisselen verfrissende metaforen (zoals ‘Hij droeg zijn borstkas als een / omgekeerde piramide’) af. Het ritme is stuwend, mede door het rijm en de pakkende beelden.

Het begon met applaus van ’s ochtends

in het natte-takkenlicht de sintels

die ze stortten. Verdronk in een lege

duivenblik en moest het vlees erkennen.

Dat mijn wandel een gestuiter is.

Dat niets of niemand met aandacht

de knikker heeft geworpen. Het stuiteren

zal stuiteren zoals de tegels zijn gebakken.

Kak. Applaus van sintels storten.

Dit gedicht krijgt door de repetitie van woorden als ‘stuiteren’ en ‘sintels’, door de afwisseling van korte en lange klanken, en door de sterk verhalende insteek een mythische bijklank. De inhoud raakt vaak aan natuurlyriek. Deze elementen geven de impressie dat in Grond een zelfverzekerde dichter spreekt die weet hoe hij schrijven en variëren moet. Idwer de la Parra doet wat Anneke Brassinga al jaren doet: klinkende verzen schrijven die barsten van vitaal en mystiek geweld, maar in de vorm juist kalmte en bedachtzaamheid uitstralen.

Er is echter weinig vernieuwends aan de poëzie van De la Parra. De op- en inzet zijn klassiek van aard. De thematiek is gebruikelijk en snel herkenbaar. Inhoudelijk gezien blijven we hangen in natuurscènes en huiselijke taferelen. Die worden aan de hand van treffende beelden uitgewerkt, maar zonder die retorische stijl is het allemaal wat te dun.

Het gevolg van de nadruk op de buitenwereld is dat het persoonlijke naar de achtergrond verdwijnt. De personages die De la Parra opvoert, worden niet ingevuld. Ze blijven ongrijpbaar: ‘Waar hij woont / is onbekend. Blijft het bij dat hoofd met triomfale bogen? / Mijn zoon zegt: dat ben jij.’ Zelfs de ik-persoon blijft naamloos: ‘Hij [de kersenboom, OA] kan niet klimmen, zonder omhaal // takken snoeien, en nu denk ik aan het groeien / van mijn zoon.’ De invulling van zijn personages had veel explicieter gekund om zo de spanning met de natuur te versterken.

De la Parra is beter met dingen dan met mensen. Het intieme wordt overschaduwd door de buitenwereld die desalniettemin aanhoudend onfeilbaar neergezet wordt. Hoe imponerend zijn metaforische consistentie ook is, zijn oog voor detail is te vaak gesloten wanneer het menselijk handelen betreft.