Recensie

Bad boy werd good Bobby

Bobby Kennedy (1925-1968)

Hij was een meedogenloze persoonlijkheid. ‘Als Bobby je haat, dan blijft hij je haten’, merkte zijn vader eens op. Maar hij ging de geschiedenis in als een politicus met veel compassie, als een ‘progressief icoon’. Vanwaar die omslag?

Foto Burt Glinn/ Magnum Photos

Hij was the runt of the litter, oftewel het onderdeurtje uit het negenkoppige nest van Joe en Rose Kennedy. Als klein en verlegen jongetje miste hij het atletische postuur en de charismatische aantrekkingskracht van zijn drie broers. Was het dus wel verstandig van Robert Kennedy dat hij, toen hij op 32-jarige leeftijd voor het eerst oog in oog stond met aartsvijand Jimmy Hoffa, de beruchte baas van de Teamsters-vakbond uitdaagde tot een potje armpje drukken? Het was ‘no contest, en hij wist het’, zou Hoffa later schrijven: ‘Ik drukte zijn arm omlaag alsof ik een snoepje uit een babyhandje pakte en kraakte zijn knokkels tegen het tafelblad. Daarna wilde hij nog een keer. Zelfde resultaat.’ Kennedy ontkende de krachtmeting later, maar het zou niet de eerste en zeker niet de laatste keer in zijn leven zijn dat hij de waarheid naar zijn hand zette.

‘Als Bobby je haat, dan blijft hij je haten’, zou zijn vader opmerken. Vol bewondering weliswaar, want voor Joe gold één wet die alles overheerste: Kennedy’s moesten winnen, en om hun doel te bereiken was alles geoorloofd. Toen vader Joe zijn fortuin, en daarmee politieke invloed, had vergaard , had hij maar één doel: zijn zoons tot president maken, zodat ‘toekomstige generaties schoolkinderen zich automatisch drie namen zullen herinneren: Washington, Lincoln en Kennedy.’ Macht en privilege waren een vanzelfsprekend deel van wat zij als hun geboorterecht zouden beschouwen, ook lang nadat papa Joe niet meer over hun schouder kon meekijken.

Of hij nu campagne voerde voor zijn oudere broer John, op communistenjacht ging als assistent van de beruchte senator Joseph McCarthy of tegenstanders als Hoffa (maar ook de latere president Johnson, CIA-chef J. Edgar Hoover en in het begin ook Martin Luther King) het leven zuur maakte: het woord dat het vaakst werd gebruikt om hem te karakteriseren was ruthless, meedogenloos.

Het fanatisme waarmee hij probeerde Hoffa de gevangenis in te krijgen vanwege afpersingspraktijken en de maffia (tevergeefs) te ondermijnen was zonder precedent in Amerika. ‘Hij was heel agressief, altijd aan het overcompenseren,’ zei de progressieve Opperrechter William Douglas, die een vriend van de familie was.

Rechterhand

Bobby was weliswaar minister van Justitie in het kabinet van zijn oudere broer, maar was in de praktijk diens belangrijkste rechterhand – iets wat vice-president Johnson met lede ogen aanzag. En dat gold niet alleen voor binnenlandse zaken: ook voor de diverse plannen om Fidel Castro om zeep te helpen was Bobby een belangrijke aanjager.

Hoe kan het dan dat Robert F. Kennedy (1925-1968) voor velen de geschiedenis is ingegaan als dé hoop van een nieuwe generatie – meer nog dan zijn broer John – als een man met een voor een politicus zeldzame compassie, als een ‘progressief icoon’? Dat laatste is de ondertitel van deze nieuwe biografie, die zich precies met die vraag bezighoudt en die de geleidelijke omslag beschrijft in zijn denken en daarmee de transformatie van een Koude Oorlog – van havik tot gepassioneerd vechter voor minder bedeelden. Van Bad Bobby tot Good Bobby, al bleven die twee kanten van zijn karakter altijd aanwezig.

De voormalige journalist Larry Tye beschrijft in kleurrijke details de factoren die aan deze omslag bijdroegen. Allereerst de moord op de door hem bewonderde oudere broer John, die hem een diepe depressie bezorgde. Twee jaar daarvoor was hun vader Joe door een beroerte getroffen waarvan hij nooit herstelde, en daarmee was Bobby in korte tijd van het overcompenserende onderdeurtje het hoofd van de Kennedy-clan geworden – met de daarbij behorende verantwoordelijkheden.

Toch waren het vooral enkele persoonlijke confrontaties met sociaal onrecht die hem veranderden. Zo zag hij met eigen ogen derde wereld-achtige armoede in de Mississippi Delta, de ellende van het getto-leven in New Yorkse achterbuurten, van mijnwerkers in de Appalachen en van indianen in hun reservaten. Het deed hem uitroepen: ‘We moeten beginnen een einde te maken aan deze schande van het andere Amerika.’

Er zijn over de Kennedy’s wel honderden boeken geschreven, maar Tye vond de rechtvaardiging voor deze nieuwe biografie in een aantal factoren: het beschikbaar komen van 58 dozen met documenten die tot nu toe gesloten waren gebleven, en vooral de medewerking van weduwe Ethel, die tevoren nooit meewerkte aan een soortgelijk project. Het was Ethel die Tye liet weten dat haar overleden man ‘Bobby’ genoemd moest worden in het boek, en niet Robert of RFK. ‘Ik zou me ongemakkelijk voelen als je hem anders zou noemen.’

Liefdesverklaring

Hier en daar leest het boek als een liefdesverklaring. Vooral de beschrijvingen van het gezinsleven van Bobby en Ethel en hun ravottende Afke’s tiental lijken alsof ze (misschien uit dankbaarheid voor de medewerking van Ethel) geschreven zijn door een arm buurjongetje dat over de schutting smachtend mag meekijken naar de machtige en rijke buren.

Tot de privileges die deel uitmaakten van het geboorterecht van de mannelijke Kennedy’s behoorde de vanzelfsprekendheid dat vrouwen zich aan hen zouden geven. Bobby was de vroomste katholiek van de familie en waarschijnlijk niet zo’n compulsieve rokkenjager als John of Edward. Toch had de KGB voldoende informatie over zijn gewoontes verzameld om hem bij een bezoek aan de Sovjet-Unie te laten omringen door ‘vrouwen met een losse moraal’. Tye laat niet na melding te maken van de geruchten over een affaire met Marilyn Monroe én een mogelijke romance tussen Bobby en Jackie Kennedy in de periode na Johns dood, toen beide rouwenden steun vonden bij elkaar. Hoe het zij, ‘je mag Bobby met me delen,’ was zacht gezegd een intrigerende uitspraak van Ethel, kort na de moord in Dallas.

Maar het intrigerendst is natuurlijk de al van veel kanten beschreven wederzijdse verachting tussen Bobby en Lyndon Johnson (LBJ), een historie van haat, achterdocht en intriges die haast Shakepeariaanse dimensies aannam, al tijdens LBJ’s vice-presidentschap, maar vooral na Johns dood. ‘Beiden leken ze op aarde te zijn gezet om de ander dwars te zitten,’ schrijft Tye. Hij illustreert dat onder meer met een hilarische episode waarin Kennedy Johnsons afluisterapparatuur weet te neutraliseren.

Uiteraard ontkomt de auteur niet aan de nu al bijna een halve eeuw in de lucht hangende ‘what if’-vraag: wat zou er zijn gebeurd met de VS en met de wereld als Bobby niet zou zijn vermoord, als hij de Democratische nominatie had gekregen en daarna in november 1968 Nixon had verslagen? Zou de oorlog in Vietnam eerder zijn beëindigd, het land minder verdeeld zijn (raciaal, economisch, politiek), zouden rampen in Afghanistan en Irak zijn afgewend? Het is overbodige speculatie, maar Tye voert in dit boek, in zijn wat al te hoogdravende stijl een bevlogen pleidooi voor wat had kunnen zijn. ‘Uiteindelijk had hij de hogepriester van verzoening kunnen zijn van deze natie, juist omdat hij de ooit de hoeder was geweest van onze duisterste geheimen.’