Opinie

Alsof adopteren nu iets fouts is

De vraag of wij beter niet hadden moeten adopteren, is een afschuwelijke, schrijven en . „Het advies om adoptie uit het buitenland te stoppen zet een dikke streep door onze moreel superieure handelwijze.”

Foto Marten Visser

Waarom moesten wij over een bovenmodaal inkomen beschikken? Waar bemoeiden die Chinezen zich eigenlijk mee? En waarom moesten wij een zak met yankee dollars meenemen? Zulke dingen dachten wij toen we naar Het Rijk van het Midden afreisden om ons eerste kind op te halen, maart 1997. Dat dachten we niet overdreven lang overigens, de ratio lag ergens verkreukeld onder een stapel kinderverlangens. Wat via de gebruikelijke weg niet lukte, gingen we in China oplossen en wel zo snel mogelijk. Na ruim zes jaren wachten, cursussen volgen en nog eens wachten konden we eindelijk adopteren.

Nu, bijna twintig jaar later, komt de Raad voor de Strafrechtspleging en Jeugdbescherming plotseling met het advies om interlandelijke adoptie stop te zetten. Zuiver rationeel zijn de geleerden in die raad tot de conclusie gekomen dat je weeskinderen en vondelingen beter in hun eigen land kunt opvangen. Liever een bescheiden pleeggezin in China (de meeste adoptiekinderen komen uit China) dan een rijk gezin in Nederland – dat idee. De adoptiemarkt is te veel vraaggestuurd, heet het, en dat brengt het risico met zich mee dat kinderen in donorlanden onnodig voor adoptie worden aangeboden. Stopzetten van de Nederlandse vraag zou een prikkel zijn om die kinderen plaatselijk te helpen, wat dankzij toegenomen welvaart best kan.

Mooi is dat. Met dit publicitair breed uitgemeten advies aan de regering gaat er een dikke streep door onze moreel superieure handelwijze. Alsof wij als adoptieouders met terugwerkende kracht iets fouts hebben gedaan. Voortaan geen stralende gezichten meer van buitenstaanders die — ‘jéééé, wat goed!’ — voor het eerst van onze status als adoptieouder horen. Dat onze dochters inmiddels oud genoeg zijn om de krantenberichten over de Raad voor de Strafrechtspleging en Jeugdbescherming te lezen — die naam alleen al — maakt het er ook niet eenvoudiger op.

Door alle ophef is de verkreukelde ratio onder de kinderverlangens vandaan gekomen. Want inderdaad weet je in China nooit zeker of het er in de kindertehuizen wel zuiver aan toegaat. Als adoptieouders zo veel geld moeten meenemen (in onze herinnering bedragen waar je een aardige verbouwing van kon bekostigen) dan staat internationale adoptie in zulke landen sowieso gelijk aan het binnenhalen van buitenlandse valuta.

Tijdens een ‘roots reis’ in 2007 leverde ons bezoek aan de tehuizen waar onze dochters Lisa-Xiu en Lin-Shi hadden gezeten vooral positieve indrukken op. Zowel in Bengbu (provincie Anhui) als Shiyan (provincie Hubei) zagen we vriendelijke en toegewijde dames in sobere maar schone vertrekken, en geloof het of niet, een gebrilde verzorgster van middelbare leeftijd leek onze oudste zowaar te herkennen en nam haar aan de arm door het kindertehuis om haar te laten zien hoe mooi alles was. Bovendien: mede dankzij onze gulle giften, zonder welke wij de adoptie op onze buik hadden kunnen schrijven, stond er nu een modern tehuis te glimmen op de plek waar in 1997 nog een sjofel onderkomen stond. Met de ‘schenkingen’ en cadeaus kon je in China een hoop moois aanrichten, zelfs na aftrek van mogelijke betalingen aan louche leveranciers van ‘vondelingen’. Omstreeks de eeuwwisseling was er in China een komen en gaan van welvarende ouders uit het Westen die hier hun kinderwens kwamen vervullen, dus tel uit je winst.

De Chinezen waren gastvrij, ze oogden betrouwbaar, dus vlogen wij opgelucht en dankbaar weken later weer huiswaarts met een tas vol mooie herinneringen. Maar zekerheden waren er niet. Tal van vragen hadden we mogen stellen aan de leiding van de tehuizen, maar hoeveel diplomatie had onze gids in haar vertalingen gestopt? Het zal altijd onbekend blijven.

De vraag of wij beter niet hadden moeten adopteren, is afschuwelijk. In ‘onze’ tijd puilden de kindertehuizen in China uit; de éénkindpolitiek dwong vele, vaak zeer arme ouders als het ware afstand te doen van hun dochters, die minder gewild waren dan jongens. Nu de overheidsmaatregelen ter beteugeling van de overbevolking zijn afgezwakt, moet booming China zijn eigen wezen en vondelingen maar opvangen, vindt de raad, net als Amerika en Europese landen.

Onze redacteur Anouk Eigenraam werd op haar tweede geadopteerd en bezocht vorig jaar voor het eerst haar biologische familie in Zuid-Korea. Lees haar verhaal hier: Een heel leven waarin ik ontbreek

Aan opvang in eigen land kleven natuurlijk wel voordelen. Geadopteerde Chinese kinderen zullen op het schoolplein geen leerlingen ontmoeten die hun oogleden opzij trekken — die leerlingen hebben net zulke ogen als zij. Op straat kan een luidkeels ni hao! uitsluitend vriendelijk bedoeld zijn, niet pesterig. En uiteraard zullen de binnenlands opgevangen kinderen zich minder snel afvragen waarom zij er anders uitzien dan hun ouders.

Een van de indrukwekkendste onderdelen van onze adoptiecursus was een geleide fantasie: met gesloten ogen luisterden we naar een verhaal over een machteloos kindje in een ledikant dat plotseling door wildvreemden met rare gezichten en gekke luchtjes en vreemde klanken wordt opgepakt en meegenomen. We snapten daardoor heel goed dat we twee kinderen van tien en zeventien maanden een shock gingen bezorgen. Terwijl iedere vondeling uiteraard al een shock achter de rug heeft. Zoals in het leeuwendeel van de gevallen verdween de shock en volgde het hechtingsproces.

Op dit moment staat voor ons vast dat we dankzij onze dochters, die op het punt staan ons huis te verlaten, een geweldig gezinsleven hebben gehad. Net als ‘gewone’ families. Of het voor onze dochters ook zo geldt, kunnen we alleen maar hopen.