Cultuur

Interview

Interview

Foto Kees van de Veen

Broer Molukse treinkaapster spreekt voor het eerst

Interview Chris Uktolseja, broer van Molukse treinkaapster

Vrijdag begint het proces van nabestaanden van twee Molukse treinkapers tegen de staat. Hansina Uktolseja was in mei 1977 een van de kapers. Ze overleefde haar actie niet. Uktolseja’s broer Chris spreekt nu voor het eerst. „Ik kon het verdriet van mijn moeder niet aanzien.”

Achteraf gezien deed Hansina de avond van tevoren al vreemd. Ze zei niets tijdens het eten, en ging direct daarna op haar kamer zitten met de deur op slot. Later die avond, om een uur of elf, maakte ze haar oudere zus wakker. „Ik ga weg”, zei ze. „Het is voor onze zaak.” Ze zei: „Ik heb een brief verstopt onder het matras van papa en mama.”

Hansina Uktolseja (21) zou de volgende dag, maandag 23 mei 1977, samen met acht andere jonge Nederlandse Molukkers de trein instappen. Vanaf station Assen belde ze haar zus nog een keer. „Ik sta op het station”, zei ze, „ik ga zo de trein in.” Een half uur later was de treinkaping bij De Punt op het Journaal.

Hansina woonde met vijf zussen en drie broers bij haar ouders in Drenthe. Vader had bij het Koninklijk Nederlands–Indisch Leger (KNIL) gezeten en was na de oorlog in Indonesië samen met zijn gezin verscheept naar Nederland. Na tien jaar bivakkeren in Schattenberg – het voormalige concentratiekamp Westerbork, waar veel Molukkers werden opgevangen – verhuisden ze samen met veel andere Molukse gezinnen naar het dorpje Bovensmilde.

Alleen maar fluisteren

Thuis was vader streng, en moeder volgzaam. „Wij hadden als kinderen wel andere ideeën dan zij”, vertelt Chris Uktolseja (59), een jongere broer van Hansina. „Maar dat hield je voor je. Je had geen andere mening dan je vader.” Ook onderling spraken de broers en zussen niet veel over hun gevoelens. Als vader thuis was, was het sowieso alleen maar fluisteren. En als hij de kamer in kwam, was iedereen stil. De kinderen leefden geïsoleerd van elkaar, vertelt Chris. „Iedereen deed zo’n beetje zijn eigen ding, en daar had je het dan verder niet over.”

Chris omschrijft zichzelf als de „lone wolf” van de familie. „De einzelgänger, het zwarte schaap.” Hij was het mikpunt van zijn vader, altijd de eerste die een pak rammel kreeg. „Omdat ik het meest op hem leek”, denkt Chris. „Ik was net zo eigengereid als hij. Net zo koppig.” Chris was vaker buiten te vinden dan thuis. Op straat in Bovensmilde sprak hij met Molukse vrienden uit de buurt: over de Molukse zaak, de Republik Maluku Selatan ofwel RMS, de vrije Zuid-Molukse staat die Nederland hun beloofd had, over het onrecht dat hun ouders was aangedaan. Maar over het plan om een trein te kapen had Chris nog nooit gehoord.

De actie van Hansina kwam voor het hele gezin Uktolseja als een verrassing. Ja, ze was de dagen voor de kaping wel wat vaker laat thuisgekomen, tot woede van haar vader. Maar verder was ze „gewoon rustig”, zegt Chris, net als de andere kinderen. Ze werkte als tandartsassistente in Assen. Over de Nederlandse overheid sprak ze niet negatiever dan de meeste anderen in Bovensmilde. Ze was ook niet feller over de Molukse zaak dan anderen, deed niet mee aan protestacties, was geen „politiek persoon”.

Verslagen voor de televisie

De dag van de kaping zat het gezin Uktolseja verslagen voor de televisie. Moeder was bang dat haar dochter iets zou overkomen. Vader was ook bang, maar tegelijkertijd hoopvol, vertelt Chris. „Je zag iets van trots in zijn ogen.” Chris was, ondanks alle verwarring, ook trots op Hansina. „Ik zou zelf nooit iets doen waardoor onschuldige slachtoffers vallen, maar respecteerde wel dat ze opkwam voor onze zaak.”

Die avond liet de oudere zus van Hansina de brief zien waar ze over verteld had. In de brief – geschreven in het Maleis – vraagt Hansina haar ouders om vergiffenis. Ze zegt niet bang te zijn om te sterven. „Als ik doodgeschoten word, dan is dat niet erg, omdat het niet voor een zinloos doel zal zijn.”

Heel Bovensmilde was ontzettend gespannen tijdens de kaping, vertelt Chris. Niet gek: alle kapers kwamen uit de buurt. „Iedereen kende iedereen in die trein.” Verspreid door het dorp stonden pantserwagens. „Die moesten ons in de gaten houden”, zegt Chris. Niet alleen hen: naast de trein werd op hetzelfde moment ook een lagere school in Bovensmilde gegijzeld gehouden door jonge Nederlandse Molukkers. Chris: „Het leek hier wel een oorlogsgebied.”

Elke dag kwamen er bij de familie Uktolseja mensen uit de buurt over de vloer. Volgens Chris voelden de meeste mensen „continu een mix van angst, trots en verdriet”. De ouders van de kapers waren verslagen. „Dat je kinderen hun leven wagen voor iets wat jou is aangedaan, dat is bijna niet te verkroppen.” Bij de familie Uktolseja ging het licht niet meer uit in die tijd: iedereen bleef ‘s nachts op, voor de tv, om te kijken hoe het verder ging.

De avond voordat een eind gemaakt zou worden aan de kaping, kleurde de lucht boven Bovensmilde donkerrood. „Het waaide heel erg”, weet Chris nog. „Over de straat gingen van die kleine tornado’s.” De broers en zussen Uktolseja stonden in de voortuin. „We zeiden tegen elkaar: nu gaat het gebeuren.”

Die ochtend ging om vijf uur de telefoon. Weer nam de oudere zus van Hansina op. „Het gaat beginnen”, zei een mannenstem aan de andere kant van de lijn, en hing direct weer op. Nog steeds weet de familie niet wie deze man was, en waarom hij belde. Wel weten ze dat kort daarna de tanks Bovensmilde in reden, en de helikopters boven het dak van hun huis langs suisden. Al snel ging de tv weer aan en zag de familie hoe de gekaapte trein beschoten werd door militairen.

Later die dag stond een kerkraadslid uit de buurt voor de deur. Nog voor hij iets gezegd had, wist de familie hoe het met Hansina was afgelopen. Moeder begon te schreeuwen en te huilen. Vader werd heel stil. „Hij huilde vanbinnen”, zegt Chris. „We hadden al die tijd nog stille hoop op een goede afloop. Dat was nu voorbij.”

De weken daarna waren „een blur”. „Alsof eigenlijk iedereen dood was gegaan.” Chris deed wat hij altijd deed: naar buiten, de straat op. „Ik wilde het verdriet van mijn moeder niet aanzien.” Hij was net klaar met de middelbare school en had voor de kaping al vaak hasj gerookt in Groningen. Die verruilde hij voor heroïne. Met heroïne in je lichaam hoefde je niet te praten, niet na te denken over wat er gebeurd was.

0311BINtrein

Veel betere drugs

De meeste leden van het gezin Uktolseja durfden na de treinkaping jarenlang geen trein meer te nemen. Ze waren bang om Hansina te zien, bang dat ze raar zouden worden aangekeken. Chris had daar minder last van: hij nam al snel weer de trein naar Amsterdam, waar de drugs veel beter waren. Hij bleef vaak dagenlang weg. Voelde hij zich niet verantwoordelijk voor zijn ouders? „Nou ja, er waren nog zeven andere kinderen. Ik dacht: ik peer ’m.”

Na twee jaar heroïne heeft Chris naar eigen zeggen nog „een jaar in de kroeg gezeten”. Daarna pakte hij zijn leven weer op. Hij verhuisde naar Amsterdam, ontmoette zijn eerste vrouw en vond werk via uitzendbureaus. Thuis in Bovensmilde zorgden zijn zussen nog altijd voor hun ouders. Waren zij boos dat Chris weg was gegaan? Niet echt, denkt hij. „Ze wisten: Chris is Chris. Ze noemden me de zwerfkat van de familie.” Dat klopt trouwens wel, zegt Chris: „Ik heb best vaak op straat geslapen in die tijd.”

‘We waren geen praters’

Vader en moeder Uktolseja zijn allebei in 2002 overleden: moeder was 72, vader 82. Over Hansina en de treinkaping werd binnen de familie nooit gesproken. Ook niet toen er decennia overheen waren gegaan. „We waren geen praters”, zegt Chris. „En dat zijn we nog steeds niet.” Schamen ze zich voor wat er gebeurd is? Nee, zegt Chris. „Maar je gevoelens over zoiets zijn gewoon van jezelf.” Kennissen van de kinderen Uktolseja weten vaak niet dat Hansina hun zus was. Waarom vertellen ze dat niet? „Mijn zus is gestorven voor ons ideaal. Ik kies ervoor daar niet mee te koop te lopen.”

De zwijgzaamheid van de familie Uktolseja is misschien ook een reactie op de vele schrijvers en journalisten die na de dood van Hansina voor de deur stonden. Als enige vrouwelijke treinkaper sprak ze tot de verbeelding: mensen wilden boeken over haar maken, films, artikelen. In het huis in Bovensmilde ging de telefoon geregeld. Vader nam altijd op met: „Geen commentaar.” Vervelende aanstellerij, vond Chris het, al die aandacht voor Hansina. „Zoek het zelf lekker uit, dacht ik.”

Inmiddels woont Chris, samen met een aantal van zijn broers en zussen, weer in Bovensmilde. Hij werkt als productiemedewerker en heeft net als zijn ouders een groot gezin gesticht: vijf kinderen, van wie één nog thuis woont.

Chris is de eerste van de familie die met de pers praat. Het was tijd, vond hij. „Er zijn nu harde bewijzen van het gevoel dat ik altijd al had: dat Hansina niet dood had gehoeven.” Chris’ broers en zussen vonden het ook een goed idee dat de familie eens van zich liet horen, al wilden zij zelf nog niet hun verhaal doen. Het onderwerp blijft lastig bespreekbaar. „Toen het onderzoek over Hansina’s dood naar buiten kwam moesten we er wel over gaan praten”, zegt Chris. „Maar het blijft moeilijk om ons verdriet onder woorden te brengen.”

Negen jonge Molukkers kapen een trein bij het Drentse dorp De Punt. Ze gijzelen 54 reizigers.

Negen jonge Molukkers kapen een trein bij het Drentse dorp De Punt. Ze gijzelen 54 reizigers.

Tegelijkertijd gijzelen vier Molukkers 105 kinderen en vijf leerkrachten op een basisschool in Bovensmilde.

23 mei 1977, 9:00 Tegelijkertijd gijzelen vier Molukkers 105 kinderen en vijf leerkrachten op een basisschool in Bovensmilde. Het is twee jaar na een kaping van een trein bij het Drentse Wijster, ook door Molukse jongeren.

De kapers eisen „een vrije aftocht per vliegtuig” voor 21 Molukse gevangenen en henzelf

24 mei 1977: De kapers eisen „een vrije aftocht per vliegtuig” voor 21 Molukse gevangenen en henzelf.

Alle kinderen die nog gegijzeld werden in de school, worden vrijgelaten

Alle kinderen die nog gegijzeld werden in de school, worden vrijgelaten.

Twee gegijzelde vrouwen worden uit de trein vrijgelaten

Twee gegijzelde vrouwen worden uit de trein vrijgelaten.

Het kabinet is niet bereid de „vrije aftocht” van gevangenen te bewerkstelligen

Het kabinet is niet bereid de „vrije aftocht” van gevangenen te bewerkstelligen.

Toenmalig minister van justitie Dries van Agt zegt: „Na een gijzeling van zoveel mensen gedurende zo lange tijd het recht zijn loop behoorde te hebben.”

Toenmalig minister van justitie Dries van Agt zegt: „Na een gijzeling van zoveel mensen gedurende zo lange tijd het recht zijn loop behoorde te hebben.”

Een gegijzelde treinreiziger wordt vrijgelaten om gezondheidsredenen.

Een gegijzelde treinreiziger wordt vrijgelaten om gezondheidsredenen.

Een gegijzelde treinreiziger wordt vrijgelaten om gezondheidsredenen.

Twee onderhandelaars praten namens het kabinet vier uur met de gijzelnemers. Het levert niets op: „Ons standpunt is nog steeds hetzelfde. Wij wijken daar niet van af: een vliegtuig of de dood.”

National Gallery, Singapore

Mariniers beëindigen de gijzelingen. In de school vallen geen slachtoffers, bij de trein worden zes gijzelnemers en twee passagiers gedood. Drie gijzelnemers worden aangehouden.

National Gallery, Singapore

Joop den Uyl, premier ten tijde van de kaping, zegt vlak voor zijn overlijden over de beëindiging ervan: „Het was een executie, van mensen in overtreding, maar het blijft een executie.”

National Gallery, Singapore

Onderzoeksjournalist Jan Beckers en kaper Junus Ririmasse publiceren nog nooit openbaar gemaakte autopsierapporten. De kogels zijn door mariniers vanaf dichtbij afgevuurd, zeggen ze, met als doel de kapers te doden.

National Gallery, Singapore

De ministeries van Justitie en Defensie publiceren een archiefonderzoek naar de beëindiging van de kaping. Door de staat was het risico aanvaard dat „waarschijnlijk alle gijzelnemers zouden overlijden”, maar van executies was geen sprake, aldus het rapport.

National Gallery, Singapore

Nabestaanden van de kapers Max Papilaja en Hansina Uktolseja dagen de staat voor de rechter. Volgens hun advocaat Liesbeth Zegveld is er voldoende bewijs dat ze zijn geëxecuteerd.

National Gallery, Singapore

Voor het eerst meldt een betrokken marinier (anoniem via zijn advocaat) dat de kapers bij het ontzetten van de gekaapte trein in 1977 het niet mochten overleven.