Nederlander met migratieachtergrond

Door onze medewerker

In allerlei kranten was de afgelopen dagen te lezen dat de woorden allochtoon en autochtoon zijn verzonnen door de sociologe en politica Hilda Verwey-Jonker (1909-2004). Zo staat het ook in het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). In de samenvatting staat: „In 1971 introduceerde sociologe Verwey-Jonker de begrippen ‘autochtoon’ en ‘allochtoon’.”

Elders in dit rapport wordt dit enigszins genuanceerd. „De term ‘allochtoon’ werd eind jaren 50 toegepast bij onderzoeken naar de positie van Belgen, die na de Eerste Wereldoorlog in Noord-Brabant waren gebleven. De term werd vervolgens gebruikt in een bundel over immigrantengroepen in Nederland, die in 1971 onder redactie van Hilda Verwey-Jonker werd uitgegeven.”

Voordat deze toeschrijvingen nu een eigen leven gaan leiden: Hilda Verwey-Jonker is niet de bedenkster van het onderscheid tussen autochtoon en allochtoon (ik heb daar in deze rubriek al eerder over geschreven). In een publicatie uit 1958, Rapport inzake de samenlevingsvormen, in het bijzonder van autochtonen en allochtonen, te Oudenbosch, werd allochtoon gebruikt voor bewoners die niet te Oudenbosch waren geboren en getogen, maar van buitenaf kwamen.

Vanaf 1968 werd er in het parlement geregeld over allochtonen gedebatteerd, waarmee onder meer Ambonezen, Molukkers, Antillianen en gerepatrieerden werden bedoeld. Toen Verwey-Jonker in 1971 het rapport Allochtonen in Nederland presenteerde, claimde zij geenszins dat zij die woorden had bedacht. Integendeel, zij signaleerde juist dat er weerstand tegen het woord allochtoon bestond. Maar zij vond allochtoon beter dan immigrant of vreemdeling. Want, zo verklaarde Verwey-Jonker in 1971: „De grootste groep, de Indische Nederlanders, beschouwen zich beslist niet als vreemdelingen.”

In feite was er dus al vanaf het begin weerstand tegen het woord allochtoon. Het werd gezien als een eufemisme; Verwey-Jonker gebruikte het om woorden als migrant, immigrant en vreemdeling te vermijden. Men wilde het woord immigrant vermijden omdat Nederland niet als immigratieland te boek wilde staan, hoewel ‘gastarbeiders’ van harte welkom waren.

De WRR stelt nu voor om – waar nodig – een onderscheid te maken tussen ‘inwoners met een migratieachtergrond’ en ‘inwoners met een Nederlandse achtergrond’.

In de praktijk worden er allang andere aanduidingen gebruikt. Toevallig stond in deze krant onder het artikel waarin wordt gemeld dat de overheid het woord allochtoon zal schrappen, een nieuwsbericht met als kop: ‘Bij RTL is de meesterpiet een Surinaamse-Nederlander’. Twee leerlingpieten, Slim en Pret, zijn „van Turkse en Marokkaanse afkomst”. Op de Opiniepagina stond diezelfde dag de kop: ‘Nederturk, kies voor Nederland’.

Zolang herkomst en huidskleur een rol blijven spelen, zullen we formuleringen blijven verzinnen om een dergelijk onderscheid te maken. „Inwoners met een migratieachtergrond” en „inwoners met een Nederlandse achtergrond” zullen wellicht een rol gaan spelen in overheidsstukken, maar ze zijn niet erg geschikt voor de media (te lang) en evenmin voor het politieke debat (te vaag).

Althans, ik zie niet snel een politicus opstaan die zijn aanhang in de zaal zal toeroepen: „Willen jullie meer of minder inwoners met een migratieachtergrond?” Ik sluit niet uit dat deze vraagstelling ook om andere redenen impopulair is, hoewel je niet kunt ontkennen dat je er als politicus veel media-aandacht mee genereert.

Ewoud Sanders schrijft wekelijks over taal. Twitter: @ewoudsanders