Column

Mooie zondag

‘Soms wordt een mens overvallen door Onbestemde Somberheid”, zei ik tegen mijn vrouw. De hoofdletters dacht ik erbij. „Hoezo?” vroeg ze. We stonden onder aan de steile trap in ons appartementengebouw, die een smalle gleuf bevatte waarin ik haar fiets zó krachtig omhoog moest stuwen dat het op gewichtheffen begon te lijken. Nadere toelichting van mijn mededeling leek me daarom overbodig. We hadden bovendien net een gesprekje achter de rug over de gevolgen voor mij als er met haar „iets gebeurde”.

„Misschien kom ik daar nog wel overheen”, zei ik zo achteloos mogelijk, „de vraag is eerder: hoe red ik me dan met dat verdomde internetbankieren?” Dat is een kunst die ik altijd graag aan haar heb overgelaten – en met groot succes, moet ik toegeven.

„Je hebt je dochters nog”, zei ze.

Dat is de pest van al dat oeverloze gepraat over euthanasie, hulp bij zelfdoding en het dodelijke aspirientje dat Drion-pil heet. Onvermijdelijk wellen er allerlei zelfbespiegelingen op die te maken hebben met het levenseinde van jezelf of je naasten. Wat zou jij doen als het zover is? En: wat daarna?

Maar die Onbestemde Somberheid van vandaag had ook met andere dingen te maken, probeerde ik haar uit te leggen. „Geef eens wat voorbeelden”, zei ze. We bevonden ons nog steeds onder aan de trap die op mijn krachtsinspanning stond te wachten.

„Mensen die het voor anderen verpesten…”, zei ik aarzelend.

Ik wilde beginnen over de kauwgom die ik onder mijn sportschoen had aangetroffen en die ik pas na een half uur bikken uit het profiel van de zool had kunnen krijgen, op enkele onvermurwbare, stinkende restjes na – maar ik besefte bijtijds dat het een te kleinschalig voorbeeld was.

Toen herinnerde ik me de sympathieke boekenkastjes die je tegenwoordig tegen gevels ziet staan en waarin je je overtollige boeken kunt achterlaten. Onlangs hing er aan zo’n boekenkastje in Amsterdam-West een nogal sneu briefje van iemand die waarschuwde dat het kastje voortdurend geplunderd werd door „die handelaar van de Noordermarkt”.

Die pikte steeds de aardigste boeken eruit om ze vervolgens onbeschaamd door te verkopen. Ik had al eerder van dergelijke praktijken gehoord. Het gevolg kon zijn dat niemand zijn boeken meer wilde weggeven, waarmee een einde zou komen aan een loffelijk initiatief.

„Vervelend”, zei mijn vrouw toen ik uitverteld was, „maar is dat alles?”

„Nee”, zei ik, want er zat me nog iets anders dwars – iets dat eigenlijk niets met vervelende mensen te maken had. Ik vroeg of ze zich nog dat restaurant in Amsterdam-West herinnerde waar we een jaartje geleden op een zondag koffie hadden gedronken. De zaak was pas geopend en blonk en bruiste van ondernemingslust. Het interieur – er had vroeger een kantoor in gezeten – was grondig en fraai gerenoveerd, het bedienend personeel was jong, vrolijk en optimistisch. De zaak zat al behoorlijk vol, kortom, een veelbelovende toekomst wenkte.

„Ik liep er gisteren langs”, vertelde ik, „en wat bleek? Ze zijn alweer dicht. Het liep niet goed. Al die blije mensen van toen zitten nu werkloos thuis.”

Mijn vrouw knikte. „Het was een hele mooie zondag.”

Ik pakte haar fiets en begon hem omhoog te duwen.