‘Once Upon a Time in the West’ is terug

Sergio Leones legendarische western ‘Once Upon a Time in the West’ is terug in de bioscoop. Zijn verhouding met de Amerikaanse mythologie was tweeslachtig.

Sergio Leone (1929-1989) was een man van paradoxen. Hij was een diep nostalgische, pessimistische filmmaker, maar toch wijzen de films van de Italiaanse regisseur ver in de toekomst. Hij ‘leende’ als geen ander bij andere films en andere filmmakers, toch is zijn beste werk volstrekt origineel en eigenzinnig en zijn handschrift onmiddellijk herkenbaar. Zijn films zijn vaak duister en gewelddadig, maar maken tegelijk een naïeve, haast kinderlijke indruk.

Zijn imposante epos Once Upon a Time in the West (1968) is nu opnieuw te zien in de bioscoop in een gerestaureerde versie. Volgens de eminente Leone-kenner en biograaf Christopher Frayling bevat Leones meesterwerk liefst dertig citaten en verwijzingen naar andere films waar Leone zich onomstotelijk door liet inspireren: meestal, maar niet alleen westerns.

De tekst gaat verder na de video

Films over films

Leone was de eerste zelfbewuste, ‘onoriginele’ originele filmregisseur – een paradox waarop je lang kunt kauwen; de eerste filmregisseur die eerst en vooral een filmkijker was; de jongen die weigert op te groeien en zijn jongensdromen op het doek brengt. Met zijn films over films vertegenwoordigt hij een soort cinema die eigenlijk pas in de jaren negentig dominant zou worden, met Quentin Tarantino, Joel en Ethan Coen en Todd Haynes.

Leone werd geboren in de Italiaanse filmwereld. Zijn vader was een succesvol regisseur van zwijgende films, zijn moeder – met wie hij een slechte band had – was voor haar huwelijk actrice. Hij groeide op onder de fascistische dictatuur van Mussolini. Amerikaanse films en stripverhalen, maar ook jazz, waren zijn ontsnapping aan de pompeuze propaganda en de leugens van de fascistische staat. Maar toen het Amerikaanse leger in juni 1944 Rome innam, bleken de Amerikaanse soldaten even onbehouwen en onbetrouwbaar te zijn als de rest van de mensheid. Leones geïdealiseerde droomland viel aan diggelen. Zijn behoefte om zich te laven aan de Amerikaanse verbeelding bleef, maar tegelijkertijd had hij een onbedwingbare neiging om de mythen die Amerikanen zichzelf vertellen – bijna letterlijk – aan flarden te schieten. Uit die twee tegenstrijdige impulsen kwamen zijn films voort.

Sergio Leone inspireert ook regisseur Alex van Warmerdam. Lees het interview: ‘Ik geef ook graag een klap’

Spaanse woestijn

Leone maakte naam als regisseur van actiescènes (de ‘second unit’) bij Amerikaanse filmproducties, die in de jaren vijftig neerstreken in Rome. Voor zijn doorbraak als western-regisseur had hij één eerdere film gemaakt onder zijn eigen naam: het zand-en-sandalen-epos The Colossus of Rhodes (1961).

Leone was niet de uitvinder van de Italiaanse western: goedkope, snel gemaakte films, meestal gedraaid in de woestijn van Spanje. Maar hij tilde het genre wel naar een hoger plan en had daar ongekend succes mee. Tussen 1964 en 1966 maakte hij zijn drie films met Clint Eastwood, die nog redelijk onbekend was: A Fistful of Dollars, For a Few Dollars More en The Good, The Bad and The Ugly.

De films waren enorme hits in Europa en maakten Eastwoods naam: zijn latere politieman Dirty Harry is volledig terug te leiden tot de zwijgzame, laconieke pistoolheld die hij met Leone vormgaf. De films sloegen vooral bij een jong publiek enorm aan. De zogeheten ‘Dollars’-trilogie ademt nog steeds een aanstekelijke anarchistische, rebelse geest, ook door de muziek van Ennio Morricone, die het traditionele symfonieorkest verruilde voor zware, echoënde elektrische gitaren.

Ideologie is leugen

Juist op het moment dat de Amerikaanse western zichzelf heel serieus begon te nemen – als de zelfbewuste ontstaansmythe van het machtigste land ter wereld – ging Leone daar dwars tegenin. Goed en kwaad zijn relatief, iedereen is te koop voor een vuistvol dollars. In Leones films botsen Amerikaanse mythen op het cynisme, pessimisme en nihilisme van een Europeaan die levendige herinneringen heeft aan dictatuur, oorlog en genocide. Uit Leones orgiastische geweldsuitbarstingen spreekt een enorm verlangen om een dikke streep te halen door de oude wereld. Ideologie is leugen. Stijl en houding zijn het enige wat telt.

Leones misantropie maakte zijn films ook op een wonderlijke wijze multicultureel. Niet omdat hij zich iets gelegen liet liggen aan etnische gevoeligheden, maar Leone was een equal opportunity offender. Zijn beeld van Mexicanen is allesbehalve vleiend. Maar de blanken in zijn films komen er niet beter af en zijn even doortrapt, egoïstisch en onbetrouwbaar. Dat sloot aan bij de latere, gewelddadige ‘revisionistische’ Amerikaanse westerns van de jaren zeventig. Indianen komen in zijn films nauwelijks voor, al is ‘Harmonica’ (Charles Bronson) in Once Upon a Time in the West een native American die zijn gram komt halen bij de witte moordenaar Frank (Henry Fonda, briljant tegen zijn lelieblanke imago in gecast).

Met zijn eerste drie westerns had Leone veel succes, maar erg serieus werd hij niet genomen. Daar moest Once Upon a Time in the West, zijn eerste film voor een Amerikaanse studio (Paramount), verandering in brengen: zijn poging om een film te maken met meer stijl en klasse dan de voorgangers. Model stond het majestueuze kostuumdrama Il gattopardo (1963) van Luchino Visconti. Morricone gaf de elektrische gitaar een minder prominente rol en greep vaker terug op het klassieke orkest.

Voor het eerst stak Leone ook de nodige tijd en aandacht in het verhaal, dat gaat over de aanleg van de spoorlijn tussen de oostkust en westkust van de VS, die het einde inluidde van het Wilde Westen. Zijn voornaamste inspiratiebron daarvoor was The Iron Horse (1924) van John Ford. En deze keer is er – voor het eerst en voor het laatst – sprake van een uitgewerkte vrouwenrol bij Leone. Dat gebeurde op aandringen van de jonge Bernardo Bertolucci die Leone in dienst nam om het verhaal uit te werken. Claudia Cardinale speelt Jill McBain, de prostituee die een nieuw leven begint als pionier. Het tempo van de film is traag. Model daarvoor stond het bedaarde ritme van de films van Japanse meesters Yasujiro Ozu en Akira Kurosawa.

Romantische bandiet

Tot het standaardrepertoire van de western behoort het melancholieke verhaal van de laatste, vrije cowboys, die aan het einde van de film moeten wijken voor de oprukkende beschaving. Leone haakt daarbij aan, maar bij hem is de geboorte van de natie ook meteen de dood van de natie. De baas van de spoorlijn – symbool van de vooruitgang – is ongeneeslijk ziek en invalide („Hij is maar een halve man”). De ‘romantische bandiet’ Cheyenne (Jason Robards) is zo’n laatste, sympathieke scherpschutter, die vaart op zijn eigen morele kompas, maar moet wijken voor de nieuwe tijd. ‘Harmonica’ (Bronson) is eigenlijk nauwelijks een levensecht personage te noemen, maar eerder een engel der wrake, die steeds vanuit het niets verschijnt. Maar ook de sadistische, geldbeluste psychopaat Frank, die zowel doodt voor het geld als voor zijn plezier, is een man van het oude westen, die zijn aspiraties als toekomstig zakenman niet kan vervullen. De komst van de beschaving is het einde van de vrijheid, maar dan wel van een vrijheid waarin ook moorddadige sadisten zich uiterst senang voelden. Frank is het donkere hart van het westen.