Deze campagne raakt journalisten persoonlijk

Presidentsverkiezingen VS

Tijdens elke bijeenkomst laat Donald Trump het publiek de aanwezige journalisten uitjouwen. Kan de pers dan nog wel neutraal blijven?

Halverwege iedere bijeenkomst zegt Trump: „Die oneerlijke pers, kijk naar ze! Ze kijken op jullie neer!” Op de foto aanhangers van Trump in Cincinnati. Foto Mike Segar/Reuters

Ik meld me allang niet meer officieel aan voor Trump-bijeenkomsten. Het persvak in het midden van de gymzaal in Johnstown is zo’n tien bij tien meter groot. Er staan tafeltjes, er is een verhoogd podium voor de tv-camera’s, en er staan hekken omheen. De circa dertig journalisten die een perspas hebben, worden via een afgezette route naar hun plek geleid. Pas als Trump klaar is met spreken, een uur later, mogen ze hun plek verlaten, gechaperonneerd door een vrouw van het campagneteam. Liever sta ik tussen de fans, als gewone bezoeker.

Praten met aanhangers van Trump is voor de geaccrediteerde verslaggever vrijwel onmogelijk, tenzij fans zichzelf aan het hek melden. Dat gebeurt, zoals altijd, regelmatig. „Jullie worden gefinancierd door George Soros”, zei een oudere vrouw eens tegen me. Ik heb meegemaakt dat mensen aan staring down doen, en je net zo lang strak aankijken tot je terugkijkt. Journalisten worden op intimiderende wijze gefilmd, soms uitgescholden. Er zijn de aandachtzoekers, zoals de man die dit weekend in Arizona pal voor het persvak ‘JEW-S-A!’ begon te roepen. Maar ik heb ook meegemaakt dat een jongetje van nog geen tien trots zijn Trump-pet kwam laten zien.

Halverwege een toespraak van Trump komt altijd hetzelfde ritueel. De journalisten weten het, en kijken niet eens op van hun laptop. Trump zegt:

„Die oneerlijke pers, kijk naar ze! Ze kijken op jullie neer. Ze filmen jullie niet, de duizenden mensen die hier zijn. En als Hillary Clinton vijfhonderd man trekt, zeggen ze: wat een fantastische bijeenkomst!”

Dan doet Trump of er demonstranten in de zaal zitten. „Oh, kijk, dáár is er een. En daar ook! Ja, ik moet wel, anders filmen ze jullie niet.” Hij laat de zaal, een paar duizend man, het persvak tot drie keer toe uitjouwen.

Een Amerikaanse verkiezingscampagne volgen is altijd een vervreemdende ervaring. Amerikaanse verslaggevers worden aan een kandidaat gekoppeld, en reizen maandenlang mee. Vaak weten ze nauwelijks waar ze zijn, en welke dag het is. Pack journalism, kluitjesjournalistiek, noemde Timothy Crouse dit, in zijn beroemde campagneboek The Boys on the Bus (1973).

„Ze zaten in hetzelfde vliegtuig, dezelfde bus. Aten, dronken, gokten, en vergeleken hun aantekeningen met hun collega’s. Week in, week uit.”

Na verloop van tijd, schreef Crouse, „gingen ze dezelfde geruchten geloven, omarmden ze dezelfde theorietjes, en schreven ze dezelfde verhalen”.

Ook deze presidentsverkiezingen van 2016 lijden onder kluitjesjournalistiek. Met name de eerste maanden, ongeveer een jaar geleden. Voortdurend was er consensus. Donald Trump zou geen kans maken. Ook ik hing die theorie enkele maanden aan, tot september vorig jaar. Toen bezocht ik een bijeenkomst met vier Democratische partijstrategen. Iedere strateeg voorspelde dat Trump de voorverkiezingen ging winnen, en dat zagen ze als goed nieuws voor Hillary Clinton. Hun zicht op Trumps electoraat was beter dan dat van journalisten.

Daarna ontstond een nieuwe consensus: als het publiek Trump wil, dan géven we ze Trump. Uit angst iets te missen, zonden tv-stations alle toespraken van Trump integraal uit. Als hij laat was, zonden ze gewoon beelden van een leeg podium uit. Als hij met zijn privévliegtuig kwam, werd de landing verslagen. In maart berekende bureau mediaQuant dat Trump voor twee miljard dollar aan gratis publiciteit had gekregen. Ter vergelijking: Hillary Clintons aandacht was goed voor een bedrag van 746 miljoen dollar. Leslie Moonves, de baas van tv-zender CBS, sprak de beruchte woorden:

„De deelname van Trump aan de verkiezingen is misschien niet goed voor Amerika, maar damn good voor CBS.”

De schrijvende pers koos partij, voor of tegen Trump. Het conservatieve National Review kwam in het tegen-kamp, net als kranten en sites van een meer progressieve signatuur, zoals The New York Times, The Huffington Post, en The Washington Post. De sites Breitbart en Infowars kozen partij voor Trump.

De keuze van Breitbart tekent meteen het allergrootste probleem van het volgen van de Trump-campagne: alles is persoonlijk. Breitbart volgde Trump aanvankelijk mild-positief, maar koos definitief partij nadat een van hun verslaggevers ruw was behandeld door Trumps woordvoerder. De verslaggever, Michelle Fields, werd aan haar arm getrokken en naar de grond gewerkt. Fields diende een aanklacht in, waarop een hevige scholenstrijd begon tussen voor- en tegenstanders van Trump op het kantoor van Breitbart. De voorstanders wonnen, gooiden de tegenstanders eruit, en de site is veranderd in een pr-tak van de campagne.

Het volgen van de campagne van Hillary Clinton is min of meer ouderwetse campagneverslaggeving. De politicus reist rond, doet uitspraken, en journalisten noteren wat er afwijkt. Zei ze niet eerder iets subtiel anders? Welke toon slaat ze aan? Er is, anders dan Trump-aanhangers denken, veel aandacht in de Amerikaanse pers voor haar schaduwkanten: de e-mailaffaire, of de Clinton Foundation. De progressieve krant The New York Times werkte zelfs samen met Peter Schweizer, de conservatieve auteur van het zeer kritische boek Clinton Cash. Wie Clinton volgt als verslaggever, doet dat niet wezenlijk anders dan de campagne van 2012, toen Mitt Romney het opnam tegen Barack Obama. De een zegt dit, de ander zegt dat. Beslist u maar, lezer.

Donald Trump laat zich niet op die manier verslaan. Sommige media proberen het, en falen hopeloos. Neem CNN, dat het nieuws bespreekt met een tafel (betaalde) deskundigen. Aan tafel zit meestal één Trump-gezinde spreker, zoals oud-woordvoerder Corey Lewandowksi, en een Clinton-bondgenoot. Het eindigt meestal in een schreeuwpartij.

Het falen van de he said, she said-journalistiek heeft twee oorzaken, vermoed ik, na zestien maanden meelopen. De eerste is dat Trumps campagne metakritiek is op de media zélf. De pers maakt volgens hem deel uit van het corrupte systeem. Op die manier kan hij media die onthullingen over hem publiceren, wegwuiven als rigged, gemanipuleerd. Hij laat journalisten beschimpen op zijn campagnebijeenkomsten. De pers wordt, kortom, zelf het verhaal. Daardoor verdwijnt de afstand tot het onderwerp.

Journalisten ontkennen het, maar ze trekken zich dit aan. Dat merkte ik na afloop van het eerste tv-debat tussen Clinton en Trump in de ‘Spin Alley’, de plek waar de pers praat met woordvoerders van beide campagneteams. De sfeer tussen de woordvoerders van Trump en de journalisten was bijtend, er werd over en weer gescholden.

Ten tweede is de comfortabele middenweg verdwenen. De strijd tussen Trump en Clinton is geen ideeënstrijd, zoals je in klassieke campagnes ziet. Het is een strijd om de waarheid. Trump biedt zijn kiezers een parallel universum, waarin de conservatieve rechter Antonin Scalia is vermoord, waar duizenden moslims in New Jersey juichten na de aanslagen van 11 september 2001, waar president Obama in Kenia is geboren (al is die theorie weer ingetrokken), en waar Rafael Cruz, de vader van de Republikein Ted Cruz, betrokken was bij de moord op John F. Kennedy.

Veel van zijn aanhangers geloven die theorieën niet per se, maar snappen wat hij bedoelt: het monopolie op de waarheid ligt bij ‘een elite’, waar ook de media deel van uitmaken. Maar wat kan een journalist doen? Zoiets als: ‘Anderen ontkennen dat Rafael Cruz Kennedy heeft vermoord’? Dat gaat gewoon niet.

Trump heeft veel media op die manier gedwongen partij te kiezen. Vrijwel alle kranten steunen Hillary Clinton. Zelfs op CNN worden verslaggevers als Brian Stelter en Jake Tapper steeds feller in hun kritiek. Daarmee heeft hij die media precies waar hij ze hebben wil. Zo kan hij het werk van uitstekende journalisten verdacht maken, zoals David Fahrenthold van The Washington Post, die uitpluist aan welke goede doelen Trump geld heeft gegeven (vrijwel niemand). Of CBS-verslaggever Sopan Deb, die alle toespraken en interviews van Trump uitschrijft, en op inconsistenties wijst. De machteloosheid van de Amerikaanse pers reikt verder dan het persvak in Johnstown. Ze zijn een instrument in een campagne geworden.