Bouw niet op drijfzand

Heijmans

Probleemproject N23 brengt bouwer Heijmans in een kwetsbare positie. De hamvraag: hoe slap is de grond onder de weg?

Foto Gerhard van Roon / HH

Het is opnieuw een stuk weg waar een groot Nederlands bouwbedrijf over struikelt.

Vorig jaar ging bouwer Ballast Nedam – inmiddels verkocht aan het Turkse Renaissance – net niet ten onder aan de verbreding van de A15 in het Botlekgebied. Nu brengt de Westfrisiaweg – de opwaardering van 42 kilometer N23 van Heerhugowaard naar Enkhuizen ter waarde van 200 miljoen euro – bouwer Heijmans in de problemen.

Oorzaak is de grond onder de N23. Die is een stuk slapper dan Heijmans had voorzien. De vertragingen en wijzigingen die dat veroorzaakt, kosten zo veel dat het beursgenoteerde bedrijf uit Rosmalen mede hierdoor in een kwetsbare financiële toestand is geraakt. Woensdag liet de bouwer in een alarmerend persbericht weten dat het in onderhandeling is over de extra kosten van de weg en van een project in Tilburg. Heijmans vindt dat de opdrachtgever, de provincie Noord-Holland, moet opdraaien voor de gevolgen van die slappe grond onder de N23. De provincie vindt van niet.

Het geschil, dat volgens de provincie over „tientallen miljoenen euro’s” gaat, ligt nu bij de Raad van Arbitrage voor de Bouw. Buffer om zulke grote tegenvallers op te vangen heeft Heijmans niet of nauwelijks. Als het bedrijf geen gelijk krijgt, bestaat de kans dat het niet langer voldoet aan afspraken met z’n financiers over de maximale schuld, zei het woensdag zelf.

Tekst gaat verder onder de grafiek.

Grond inklinken

Een stuk weg, hoe moeilijk kan het zijn?

Moeilijk, blijkbaar. Het probleem bij de N23 draait met name om het ‘zetten’ van de ondergrond. Voordat je een weg kunt leggen, moet de grond eronder inklinken, anders krijg je wegverzakkingen. Zetten kost tijd. Maar hoeveel tijd?

Hier gaat de discussie over, zeggen betrokkenen die anoniem willen blijven wegens de arbitrage. De opdrachtgever gaf de bouwers die meededen aan de aanbesteding vooraf een rapport over de staat van de grond van ingenieursbureau Grontmij, nu Sweco. Dat rapport kwam uit op grofweg tweehonderd dagen ‘inklinktijd’. Daar moesten de bouwers mee rekenen.

Supersnel aanbesteden

Nu wat aanbestedingsjargon. Als aanbestedingstraject had Noord-Holland gekozen voor best value procurement, een snellere procedure waarbij de bouwers niet een gedetailleerd ontwerp hoeven in te dienen om mee te mogen dingen naar de klus. Bij de N23 moesten de bouwers in ruim drie maanden met een eerste bieding komen, traditionele aanbestedingen duren soms wel een jaar. Er zit wel een vangnet in de procedure ingebouwd. Mocht tijdens het definitieve ontwerpen blijken dat zaken toch duurder uitpakken voor de bouwer, dan zijn wijzigingen in de prijs achteraf nog mogelijk.

Heijmans rekende in de eerste bieding met die tweehonderd dagen. Dat was ook de opdracht. Maar toen het later de bodem liet onderzoeken door een extern bureau, kwam het uit op een heel andere tijd. Niet tweehonderd, maar tot wel meer dan vierhonderd dagen inklinktijd op sommige stukken. Dat betekent lange vertragingen, nieuwe tijdsplanningen en ontwerpen, nieuw materiaal, andere logistiek. Kortom: miljoenen euro’s die Heijmans niet heeft.

De arbitrage, die zo belangrijk is voor de toekomst van het bedrijf, gaat over dat geld. De partijen ruziën over de aanpassing van de prijs achteraf en de kosten van de wijzigingen. Daarover zou wel of toch niet akkoord zijn bereikt. En ze ruziën over wiens verantwoordelijkheid het onderzoek naar de bodem nu eigenlijk is. De bouwer, vindt de provincie, kijk maar naar het contract. De provincie, vindt de bouwer, kijk maar naar de kwaliteit van de informatie die is aangeleverd.

Gretige bouwers

Het conflict over de N23 is een erfenis uit de crisisjaren. Toen namen bouwers, die ernstig om werk verlegen zaten, veel infrastructuurprojecten aan waar grote risico’s aan kleefden. En de opdrachtgevers – Rijkswaterstaat, provincies, gemeenten – wentelden moeilijk te beheersen verantwoordelijkheden zoals vergunningen en bodemonderzoeken maar al te graag af op de gretige bouwers.

Rijkswaterstaat houdt bij grote projecten inmiddels iets meer in eigen hand. Maar met de erfenis uit het verleden moeten bouwbedrijven nog zelf afrekenen.