Zorggeld over? Dat verrast eigenlijk niet

Zorggeld

Eerst klaagden gemeenten over krappe zorgbudgetten, nu blijken ze ruim een miljard over te houden. Daar zijn wel wat verklaringen voor.

Foto ANP / Roos Koole

Schande! Gemeenten houden een dik miljard over aan zorggeld terwijl ze tegelijkertijd de zorg versoberen! Almere kondigde laatst nog een behandelstop aan voor kinderen in de jeugdzorg, burgers spannen met succes rechtszaken om het lokale zorgbeleid – en nu dit!

Dat is in het kort de reactie van ouderenbonden en patiëntenfederaties op het nieuws dat gemeenten vorig jaar 1,2 miljard euro hebben overgehouden op hun budget voor jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning aan ouderen en zieken.

Ook staatssecretaris Van Rijn (Zorg, PvdA) zegt dat dit cijfer een „totaal ander licht werpt op de signalen van sommige gemeenten” die menen dat ze geld voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdzorg tekortkomen. Met die gemeenten, aldus Van Rijn, „voeren we voortaan een ander gesprek”.

Dat het cijfer belanghebbenden pijnlijk treft, is logisch. Maar is dit overschot echt zo verbijsterend, verbazingwekkend en onverwacht? Een aantal opmerkingen ter nuancering.

1. Is 1,2 miljard veel?

1) 1,2 miljard euro is een groot bedrag. Maar bedenk wel: het Rijk hevelde vorig jaar 13,8 miljard euro naar gemeenten over voor jeugdzorg en maatschappelijke ondersteuning (WMO). Op dit bedrag is 1,2 miljard minder dan 10 procent. Is dat veel of is dat niet veel?

Punt is: gemeenten tastten vorig jaar lange tijd in het duister over het aantal zorgcliënten binnen hun eigen grenzen. Neem de jeugdzorg: onder welke gemeente valt een kind uit gemeente A dat in een zorginstelling in de bossen te B woont? Onder de gemeente waar de ouders wonen, is het antwoord. Maar wat als de ouders gescheiden zijn? En wat als de moeder net is verhuisd? Daarop antwoord vinden kon – per kind – maanden duren.

Die onzekerheid maakte gemeenten behoedzaam. Als onverwacht toch een paar ‘residentiële kinderen’ voor jouw rekening komen, moet je daarvoor wel geld achter de hand hebben. Een kind in een residentiële instelling kost ruim honderdduizend euro per jaar.

2. Bezuinigingen én vernieuwen

Gemeenten hadden en hebben te maken met aanzienlijke bezuinigingen op de zorgbudgetten. Zo’n 11 procent op de WMO in 2015, zo’n 15 procent op de jeugdzorg van 2015 tot en met 2017. Tegelijkertijd worden zij geacht de zorg drastisch te vernieuwen: meer preventie, meer eigen verantwoordelijk voor de burger, minder specialistische zorg. Maar zorg anders organiseren kost tijd en (dus) geld – bijvoorbeeld om wijkteams te vormen. Die mix van bezuinigen én vernieuwen leidt ook tot behoudzucht. Je kunt beter voorzichtig met je geld omgaan als je weet dat je de komende jaren de zorg moet verbouwen met een slinkend budget.

3. Verplicht sluitende begroting

Anders dan het Rijk zijn gemeenten verplicht een sluitende begroting te maken. Tegenover elke uitgegeven euro moet een euro aan inkomsten staan. Dat noopt tot terughoudend inkopen van zorg. Als gezegd: gemeenten kregen miljarden aan zorggeld overgeheveld van het Rijk en wisten nog niet wie hun cliënten zoal waren. Zouden ze minder voorzichtig zorg hebben ingekocht, dan zouden ze het risico hebben gelopen op een miljoenentekort – per gemeente.

Maarten Allers, hoogleraar economie van decentrale overheden te Groningen:

„Stelt dat er nu geen sprake was van een overschot, maar van een tekórt van 1,2 miljard. Dát zou pas echt een drama zijn geweest.”

Immers, een groot financieel tekort is voor gemeenten niet of nauwelijks te compenseren, zegt hij. „Waar het geld vandaan te halen?” Gemeenten kunnen nauwelijks eigen inkomsten genereren: hun vrijheid om belasting te innen is krap – in Nederland wordt maar 3 procent van alle belastingen geïnd door gemeenten.

Kortom: ook om deze reden is het niet meer dan logisch dat gemeenten in 2015 – het eerste jaar na de decentralisaties – aan de veilige kant zijn gebleven bij de inkoop van zorg.

4. Administratieve problemen

Allers noemt nog een punt van aandacht: de administratieve afhandeling van de zorg. Die laat zeer te wensen over, ook vorig jaar. Gemeenten werken en werkten bijvoorbeeld met duizenden productcodes voor verschillende soorten zorg. Dat woud aan codes leidde tot fouten bij het declareren. Ook het nieuwe declaratieysteem zelf veroorzaakte problemen. Rekeningen – voor psychologische behandelsessies van een kind, voor dagbesteding van ouderen – zijn daardoor soms pas maanden na dato betaald, soms ook ná 31 december 2015.

„Het kan goed zijn”, bevestigt Allers, „dat niet alle kosten van 2015 ook daadwerkelijk in dat jaar zijn betaald.” Zijn advies: wacht een jaar. Dan komt het Centraal Bureau voor de Statistiek met de zorgcijfers over 2016, en wordt duidelijk of dit jaar kosten zijn betaald die eigenlijk toebehoren aan 2015. „Dat kan een deel van het overschot van 1,2 miljard verklaren.”