Voorpublicatie: een fragment uit de nieuwe roman van Christiaan Weijts

Op 22 november verschijnt Het valse seizoen van Christiaan Weijts. Daarin leidt een succesvol violist aan mysterieuze aandoening. In een metrostation in Parijs raakt hij in de ban van een altvioliste. Zijn loopbaan neemt een andere wending als ze samen auditie doen.

Christiaan Weijts Foto Merlijn Doomernik / NRC

Sinds een paar maanden ben ik een verontrustend verschijnsel bij mezelf gaan constateren, waar ik tot nu toe met niemand over heb durven spreken. Omdat jij, als mijn vroegere leraar en mentor, het misschien beter begrijpt en omdat je, na al die jaren, tegelijkertijd ook veranderd bent in zo’n min of meer onbekende buitenstaander (zo iemand die je op vakantie tegenkomt en aan wie je opbiecht wat je in langduriger betrekkingen wijselijk voor je houdt) zal ik proberen de verschijnselen te beschrijven.

Kort gezegd komt het erop neer dat ik ongevoelig ben geworden voor muziek. Niet doof of anderszins fysiek gemankeerd (mijn oren doen het beter dan ooit), maar zoals ik het zeg: ongevoelig. Zonder enige aanleiding, zonder enig lichamelijk proces, zonder enig voorafgaand incident merkte ik op een ochtend dat ik het kwijt was.

Het was midden in de zomer, half juli. Tussen twee concerten door was ik een paar dagen thuis. Ik stond op, draaide het volume van mijn keukenradio hoger tijdens het ontbijt. Ik viel in een langzaam deel van een Mozart–sonate; ik geloof de KV 330. Wat een waardeloze pianist, bromde ik. Het droge getingel leek wel afkomstig uit een speeldoosje, monotoon en mechanisch. Het bleek Al–fred Brendel te zijn. Goed, dat kan gebeuren, zeker met Mozart, maar ’s middags had ik het ook met Fauré, een cellosonate, waarnaar ik luisterde in de tram. De dag erna draaide ik Tsjaikovski’s Souvenir de Florence – het klonk als een draaiorgel in een winkelstraat.

Het was hopeloos

Na drie dagen – drie dagen vol van zulke teleurstellingen – ging ik een radicalere test aan. Ik zette de vioolsonate van César Franck op, die ik jarenlang niet heb durven spelen of luisteren omdat die alles is gaan vertegenwoordigen wat er bij de Zelosi is gebeurd. Maar de hele sonate hoorde ik volstrekt onbewogen aan, als een dienstmededeling in een treincoupé. Het was hopeloos. Hopeloos eendimensionaal, vlak, levenloos.

Mijn mankement lijkt op zoiets als een spontane dyslexie of kleurenblindheid. Ik weet dat het reliëf en de bezieling er moeten zijn, maar er is een dikke wand voor neergevallen die mij buitensluit. Begrijp me niet verkeerd. Het is niet zo dat ik op andere vlakken niet meer geniet. Welnee, ik heb plezier in gezelschap, in gesprekken, boeken, wandelingen in de natuur. In seks ook, niet te vergeten. Met mijn eetlust, ten slotte, is ook niets mis, dokter. Elke maandagavond participeer ik con gusto in het kookklasje dat ik volg in de sterrenkeuken van Tom Violet.

Het valse seizoen van Christiaan Weijts.

Ik zou zelfs zweren dat mijn muzikale gehoor juist scherper ontwikkeld is: ik ben beter in het onderscheiden van de afzonderlijke stemmen en hoewel ik nooit een absoluut gehoor heb bezeten, zit ik er nu zelden ver naast wanneer ik de hoogte van een klinkend glas of een bel of claxon op straat probeer te raden – maar dit aangescherpte, dit opnieuw gekalibreerde zintuig slaagt er maar niet in om lijnen uit te werpen naar dieper gelegen emoties. Ik sta tegenover de muziek zoals een homoseksuele man mogelijk tegenover een naakt vrouwenlichaam staat: hij ziet de vormen, de verhoudingen, de anatomie en hij kan tot op zekere hoogte de esthetisch-sensuele kant van de zaak inzien, maar die werkelijk doorvoelen, laat staan erdoor met stomheid geslagen zijn, dat doet hij niet.

Concertarme periode

Ik doe mijn best om mijn handicap te camoufleren. Zoals een stotteraar om haperingsgevoelige medeklinkercombinaties heen kan zwenken door op het moment dat hij ze ziet naderen uit te wijken naar articuleerbaardere synoniemen, zo weet ik de verdwenen sensibiliteit te simuleren. Het lukt, min of meer. Ik veins verfijning op de manier waarop psychopaten charmant en innemend kunnen lijken doordat ze geleerd hebben minutieus de signalen te kopiëren van een empathie die ze niet ervaren. Niemand valt het op dat het Corretto Kwartet een zombie heeft als tweede viool.

Zo speelden wij ons Haydn-Beethoven-Ravelprogramma, in Haarlem, Praag, Basel, Malmö, Kopenhagen, Odense, Clervaux, Carcassonne, Bordeaux, Florence, Bergamo, en nu dan, na een weekje pauze thuis, Parijs, het laatste concert, in veel opzichten het hoogtepunt van de reis. Het is een vreemd seizoen; deze tournee is buiten het gewone stramien gepland, met opzet, want op die manier, zo is de achterliggende commerciële filosofie, kunnen we extra bezoekers trekken in deze relatief concertarme periode waarin mensen juist wél de tijd hebben om uit te gaan. De strategie is in zekere zin een wanhoopsoffensief, als ik het allemaal goed begrijp van Sander, die over de financiën gaat en de rol van manager vertolkt.

In onze beginjaren waren we succesvol en trokken we redelijk volle zalen. Toen dat minder werd konden we het een tijdlang aardig uitzingen met allerhande schnabbels aangevuld met een redelijke subsidie-injectie, maar die begint de laatste jaren onder de rechts-liberale conjunctuur wel erg te slinken, en daarom proberen we nu deze formule uit. Daarom speelden we in kleinere zalen, kerken, en bij allerlei zomerfestivals, die tot in de nazomer nog doorliepen, met dit laatste concert in Parijs als afsluiting. Over een maand spelen we dit programma nog één keer thuis in Den Haag, op vertrouwde grond, waar een cd-opname gemaakt zal worden, met alle bijkomende opwinding: het wordt de eerste live-cd van het Corretto.

Los van dit alles hing er wat onbestemds in de lucht. Ik voelde het al bij het inspelen, en het werd nog sterker vlak voor we op moesten. Nog steeds zijn voor mij de angstigste minuten altijd die waarin de lege zaal volloopt, waarin we achter het doek het geroezemoes horen aanzwellen, dat massieve gemurmel met uithalen van schelle lachjes. De veeleisendheid van een publiek dat betaald heeft en kwaliteit verwacht. De hele wereld van buiten walmt nog om ze heen: hun restaurants, de uitgelatenheid van het sociale uitje. Dat alles moet verdwijnen. Dat alles moeten ze vergeten, zo niet in het applaus bij opkomst dan toch wel in de verwachtingszwangere stilte die volgt als we gaan zitten, onze instrumenten nog minimaal bijstemmen, met kleine plukjes aan de snaren.

Dan is er de blik die rondgaat, we zitten zo opgesteld dat we elkaars vingers kunnen zien, daar komt alles op aan. We vreten elkaars vingers op met onze ogen. Daar is het knikje, en dan zijn we los. Haydn, het achtste strijkkwartet; een jonge Haydn, speels, onstuimig.

Het tempo opjagen

Sinds Kristien en Sander een huis in Haarlem hebben gekocht – een oude benedenwoning met een diepe tuin vlak bij het centrum – was er binnen onze verhoudingen al iets gekanteld, en nu speelden ze nog dichter tegen elkaar aan, alsof ze, over de alt en de tweede viool heen, stiekem zaten te rotzooien. Vooral in het vierde deel, het menuetto, joegen ze samen het tempo op, zetten ze de Weense zwier overdrevener aan dan bij de repetities.

Haydn en Mozart schreven voor hun kwartetten meestal eerst de cello en eerstevioolpartij, en behandelden de tweede viool en de alt min of meer als vulling. Maar ook bij Beethoven, die de afzonderlijke stemmen rijker en gelijkwaardiger had gemaakt, was het hier tegenover deze halve cilinder vol publiek – de zaal was gevuld maar beslist niet tot in elk hoekje uitverkocht – alsof Merel en ik alleen de begeleiding krasten. Of verbeeldde ik me dit maar? Was dit hoe ik mijn gevoel van buitengesloten-zijn invulde? Mogelijk. Soms is het alsof ik door een omgedraaide verrekijker ons kwartet gadesla.

Goed, ik slaag er telkens weer in om mee te komen, om alle fraseringen correct uit te voeren, het tempo te volgen en op tijd te zijn met mijn inzetten, maar ik doe het zoals je kinderen kunt voorlezen en tegelijkertijd met je gedachten elders kunt zijn. Zonder echt te begrijpen wat je zegt vorm je de klanken, en zelfs de intonatie kun je bedrieglijk levendig houden, ook al is het al die tijd niet meer dan een oppervlakkige reproductie die alleen over de toppen van de woorden strijkt zonder hun betekenis te raken. Niet alleen kinderen zijn voor de gek te houden – in elk geval voor een tijdje.